tussen dit en dat is ook nog wat
Het bisdom Den Bosch is voortvarend bezig orde op zaken te stellen. Er is in de laatste jaren nogal wat ingeteerd in de parochies. Bezittingen uit het verleden zijn opgesoupeerd om de chronische tekorten in de jaarrekeningen aan te zuiveren of om peperdure restauraties van kerken en pastorieën  mogelijk te maken. Daar moet een eind aankomen want - heeft zo men becijferd - als dit in gelijk tempo doorgaat zal het gezamenlijke vermogen van de parochies binnen tien jaar met driekwart zijn geslonken. Een terechte zorg en een terechte beleidsintentie. Maar of dat op korte termijn tot een zo grootschalige kerksluiting moet leiden als men zich lijkt voorgenomen te hebben, is voor mij de vraag. Er doen zich namelijk nogal wat problemen voor.

Ten eerste zijn de te sluiten kerken praktisch allemaal moeilijk verkoopbaar. Zijn het nog geen rijks- of gemeentemonumenten, dan worden ze dat wel in het zicht van een aanstaande sluiting. Gemeentes en maatschappelijke groeperingen willen niet dat een kerkgebouw (hoe matig van architectonische kwaliteit ook) uit het stads- of dorpsbeeld verdwijnt. Als je ze dan al kunt verkopen, levert die verkoop weinig op. Het vergroten van het vermogen van de nieuwe parochie door het sluiten en verkopen van kerken, is dus maar heel beperkt.

Ten tweede: het bisdom kan dan wel grootschalig zijn gaan denken, de gemiddelde katholieke gelovige doet dat niet, zeker niet binnen onze dorpsgemeenschappen. Dat vanwege de algemene tekorten de eigen parochiekerk opgeofferd zou moeten worden om een andere kerk in het naburige dorp te behouden, kan in Den Bosch wel logisch lijken maar ter plaatse ligt dit totaal anders. Gaat men met die gevoelens niet heel zorgvuldig om, dan verliest men in het dorp waar de kerk gesloten wordt, niet alleen alle kerkgangers maar ook alle geldelijke bijdrage zodat het financiële voordeel voor de nieuwe grotere parochie beperkt is en de pastorale uitkomst ronduit desastreus zal zijn.

Moet er dan niets gebeuren? Zeker wel maar dan iets langzamer, gefaseerder en met medeneming van de betrokken gelovigen. Hoe ik me dat voorstel? Ongeveer als volgt.

Allereerst moet voordat definitief een nieuwe parochie wordt gevormd, de discussie worden gevoerd of de formatie van de parochie zoals die vanuit Den Bosch is gebeurd, wel echt aansluit bij de plaatselijke verhoudingen. Soms zijn immers nieuwe parochies te groot in vergelijking met andere. Soms behoeft een indeling correcties omdat de natuurlijke en historische grenzen anders liggen. Die discussie hoeft niet lang te duren maar als hij gevoerd wordt - en niet alleen binnen kerkbesturen - levert dat zijn rendement op voor de toekomst.

Dan moet openlijk de pastorale en financiële situatie van de afzonderlijke parochies die de nieuwe parochie gaan vormen, in kaart gebracht worden. Vragen die daarbij werkelijk van belang zijn, zijn de volgende: hoeveel vaste kerkgangers zijn er in het weekend, en in doordeweekse missen? Hoeveel werkelijk meelevende (iedere zondag praktiserende) katholieken zijn er in het kerkbestuur, in de catechetische, liturgische en diaconale werkgroepen? Hoeveel koren zijn die echt dienstbaar zijn aan de liturgie? Hoe is de staat van onderhoud van de kerk en van de pastorie? Hoe staat het met de inkomsten van de parochie? Dekken zij de uitgaven, inclusief de bijdrage aan het bisdom en de reservering groot onderhoud? Hoe groot is daarin de bijdrage van de gelovigen en wat zijn de opbrengsten uit vermogen? Het resultaat moet eerlijk aan de parochianen worden meegedeeld.

Vanuit de resultaten van dit onderzoek zijn diverse scenario’s mogelijk. Het kan zijn dat er ieder weekend nog honderd mensen in de kerk komen en dat de financiële situatie redelijk sluitend is. Dan kun je niemand verkopen dat de kerk gesloten moet worden ter wille van de kerk in een naburige parochie. Men zal de kerk dan, al is het geen hoofdkerk, open moeten laten zolang deze situatie voortduurt. Men zal al wel de gang naar de hoofdkerk kunnen bevorderen door het vormsel te centraliseren, de Goede Week alleen in de hoofdkerk te vieren, op Kerstavond slechts één viering in deze bijkerk te houden etc.

Het kan ook zijn dat er voldoende geld in de parochie is maar dat er maar 20 mensen in het weekend naar de kerk komen. Ook dan is het voor mensen onbegrijpelijk als de kerk gesloten zou worden. Dan zou deze kerk in de nieuwe parochie een kapelfunctie kunnen krijgen voor sommige plaatselijke vieringen maar waar zondags geen vieringen meer zijn. Daarvoor moet men dan naar een andere kerk in de parochie.

Ook in gemeenschappen waar het geld en het kerkbezoek niet optimaal zijn maar de kerk wel pas gerestaureerd is, zou voor een kapelfunctie moeten worden gekozen.

Het sluiten van de kerk zou in een dorp pas de allerlaatste optie moeten zijn. Dat zal moeten als zowel het aantal kerkgangers als ook de kerkbijdrage te gering is en de kosten van de kerk hoog. Maar dan is het ook uit te leggen.

Pas volledig gerestaureerde kerken sluiten is aan de mensen praktisch niet uit te leggen. Voorlopig zijn er immers minimale kosten. Hierbij is het wellicht mogelijk dat gemeenschappen in die kosten bijdragen als men werkelijk overtuigd is van het feit dat anders sluiting dreigt.

Er zal maatwerk moeten worden geleverd waarbij iedereen betrokken wordt. Een sluiting van een kerk heeft veel impact op iedereen maar we moeten zien te voorkomen dat mensen door onbegrip over de maatregelen van het bisdom die niet helemaal doorzichtig zijn, zich afkeren van de Kerk.

Een laatste punt wat mij zorgen baart, is dat het bisdom zich meer zorgen lijkt te maken om de financiële situatie van de parochies dan om de inhoudelijke situatie van liturgie en verkondiging. Hier zou een duidelijke evaluatie van de diverse gemeenschappen die tot een nieuwe parochie gaan behoren op zijn plaats zijn. Een flinke correctie op dit terrein is vaak uit pastoraal oogpunt veel harder nodig dan het aanpakken van de financiën. Maar in het corrigeren van pastoraal personeel is het bisdom vaak minder resoluut dan in het vormen van nieuwe grote parochies en het sluiten van kerken.


C. Mennen pr
2 juli 2012
Pastoor C. Mennen
e-mail: info@mennenpr.nl
cui resistite
home

liturgie

getijdengebed
preken
voordrachten

vrijmoedig commentaar

ons geloof

documenten