de sluwheid van de duivel
bij zijn pogingen
de kerk te vernietigen

Een oude, wijze priester zei eens: “De duivel is slim. Als hij Piet Jansen in zijn  macht probeert te krijgen, heeft hij alleen Piet Jansen, maar als hij de pastoor in zijn invloedssfeer heeft, krijgt hij gemakkelijk praktisch de hele parochie.” En dat is zo. In parochies waarin de pastoors vanaf de jaren zestig trouw zijn gebleven aan de katholieke eenheid en niet toegegeven hebben aan de geest van opstand en verdeeldheid die vanaf toen begon te waaien, zijn meestal geen problemen rond opstandige vrijwilligers en verkeerde kerkelijke praktijken. De duivel krijgt dan hoogstens vat op individuen maar niet op de parochie als geheel. Voor jongere priesters die het pastoraat in dergelijke parochies moeten overnemen, zijn er uiteraard de gewone problemen van teruglopend kerkbezoek en oppervlakkiger wordend en verdwijnend geloof, maar zij blijven gespaard voor hooglopende ruzies, voor negatieve krantenkoppen en de daarbij behorende publieke verguizing.

Maar in heel wat parochies heeft men weliswaar pastoraal actieve maar tegelijk kerkelijk nogal dissidente pastoors gehad. Zij hebben rondom zich heen een groot kader aan vrijwilligers gebouwd die zij vormden naar hun beeld en gelijkenis. Zij werken volgens het “kerk-zijn-wij-samen” principe, niet geïnspireerd door de teksten van het Tweede Vaticaanse Concilie, maar vooral door de beroemde “geest van het Concilie” waaronder men lukraak concilieteksten met de tijdgeest vermengde.

Wat verkondiging en catechese betreft kenmerken deze parochies zich door een grondeloze vaagheid waarin drie begrippen komen bovendrijven: “gemeenschap”, “openheid”,en “liefde”. En “gemeenschap” wordt dan niet gevormd op basis van het katholieke geloof en de katholieke liturgie maar op basis van een louter sociologisch gegeven: “wat vinden de pastoor en de clique om hen heen?” Zij zijn de norm van gemeenschap en van liturgie. Enige toets vanuit de katholieke Kerk werpen zij ver van zich af, want “wij doen dat hier zo” en “wij zijn toch samen kerk”.

Ze beroepen er zich altijd op een “open” en “warme” gemeenschap te zijn. Dat blijkt vaak alleen maar het geval te zijn richting “gelijkgezinden in de vaagheid” en richting protestanten en moslims. Voor normale katholieken staan ze minder open; die bejegenen ze vaak zelfs erg vijandig, is mijn ervaring. Het woord “liefde” dat zij hoog in het vaandel zeggen te voeren is niet zozeer het christelijke begrip “liefde” als wel de meer wollige vorm daarvan die het onmogelijk maakt nog één zonde te benoemen. De enige zonden die vanaf de preekstoel durft benoemen, zijn een soort collectieve zondes: discriminatie, zondes tegen de vrede, de natuur en de dieren waarbij elke collectieve zonde een bepaalde tijd in de preken en de parochiebladen erg in de mode is om dan weer af te zwakken en plaats te maken voor de nieuwe zonde die in de maatschappij is komen bovendrijven. De liefde tot God, die toch voor Jezus het eerste gebod is, wordt erg ondergewaardeerd en meestal zelfs niet genoemd en bedoeld als men zegt dat de liefde het hoogste gebod is.

God is in die kringen niet Degene die zich via Jezus aan ons openbaart en ons zijn wil meedeelt. Hij is meestal degene “die met ons meegaat” en begrip heeft voor al wat wij zijn en doen. Vooral vage religieuze liederen (o.a. van de latere Oosterhuis) zijn in deze kringen erg in trek. Men leest er ook graag de boeken van Küng (Schillebeeckx is te saai en te moeilijk), en van de gebroeders Carel en Nico ter Linden, die weliswaar protestant zijn maar van het in die kringen zeer gewaardeerde vrijzinnige, bijna agnostische soort. Je moet namelijk om in hun ogen een echte gelovige te zijn, vooral kunnen twijfelen! In de liturgie trekken deze parochies zich meestal niet veel aan van de liturgische boeken en als ze zelf vieringen samenstellen zijn die meestal tamelijk horizontaal. Men noemt dat “verstaanbaar” en “dicht bij de mensen”.

Ook de katholieke opvatting over het priesterschap is nogal verduisterd. De “vernieuwende” pastoor is de overlegkerk begonnen en hij heeft de mensen (de vrijwilligers) het idee gegeven dat ze overal inspraak in hebben. Die inspraak was in werkelijkheid niet zo groot. De “vernieuwende” pastoor begon namelijk vanuit een machtspositie. Hij gaf weg wat hij graag kwijt was en benoemde daar een groep voor. Inhoudelijk vormde hij hen uiteraard volgens zijn eigen opvattingen. Zo werkt men jaren en een groot deel van parochie denkt, dat dit de katholieke Kerk is, en wel het gedeelte dat het beter begrepen heeft dan de bisschop of de paus. Ongemerkt glijden ze af naar een soort gemakkelijke vrijzinnigheid waar veel kan en niet veel moet.

Komt er dan na jaren een nieuwe pastoor die eigenlijk gewoon katholiek wil zijn, dan zit hij met groepen die denken zoals de vorige pastoor hen heeft laten denken en ligt het conflict ogenblikkelijk op de loer. Men is niet meer aan katholieke dingen gewend en ervaart wat de nieuwe pastoor wil als een stap terug en die stap willen ze eigenlijk niet maken. Dit geldt niet voor heel de parochie maar vooral voor de ruggengraat van een moderne parochie, de werkgroepen. Met name de werkgroepen op het terrein van de liturgie zijn het ergste; want nergens is het “nieuwe geloof” zo duidelijk als in de alternatieve liturgie. En nergens komt de katholiciteit weer zo duidelijk aan het licht als in de juiste liturgische teksten en riten. Daar vooral ligt de botsing. Want juist daar kan de katholieke pastoor weinig concessies doen aan de vrijzinnige werkgroepen omdat hij vanuit zijn geweten moeilijk met het geloof en de mysteries van het geloof kan marchanderen. In de ogen van de werkgroepen is dat onwil van de pastoor (of machtswellust) want zij zien de liturgie niet als heilig en goddelijk maar als “iets van ons samen”, “iets wat wij inspirerend moeten maken”.

De meest hardnekkige werkgroep is dezen in de werkgroep woord- en communiediensten. In de normale katholieke Kerk zijn woord- en communiediensten een noodzakelijk kwaad voor kerken waar in een weekend door priestergebrek geen eucharistie kan zijn en dat alleen nog voor mensen die niet in staat zijn naar een andere kerk te gaan voor de eucharistie. In een normale katholieke kerk zouden mensen die deze viering voorbereid hebben, blij zijn als er op het laatst nog een priester beschikbaar is om de eucharistie te celebreren. Zo niet in de “modernere” parochies. Daar ziet men in woord- en communiediensten een verrijking van het liturgisch aanbod; dat is een viering die tenminste door leken gedaan kan worden. Het blijkt in de praktijk dat dit “priestertje spelen” niet alleen voor pastorale werkers maar ook voor een aantal leken zeer verleidelijk is. Ze maken daar structureel hun eigen vieringen van. De nieuwe pastoor moet maar een weekend in de maand vrij nemen. Men pleit soms ook voor een extra viering in het weekend. Dit alles om in die woord- en communievieringen te kunnen blijven voorgaan. De priesterlijke dienst die constitutief is voor de Kerk wordt op deze wijze ondergraven. Veel priesters schikken zich in deze situatie, niet omdat ze het er mee eens zijn maar omdat ze niet negatief in de krant willen komen. Genoemde groepen zien de priester niet als de geestelijke leider van de parochie maar als hun concurrent. Ze doen dan ook alles om het leven van die priesters zuur te maken. In ieder geval is er geen samenwerking op basis van hetzelfde geloof. De nieuwe pastoor is wat betreft het geloof vaak een tijdlang een eenling tussen zijn medewerkers, tot hij na verloop van tijd wat meer gelijkgezinden (die soms onder het vroegere regime elders een geestelijk thuis hadden gevonden) rond zich heeft verzameld.

Ondertussen hebben de werkgroepen die zeggen het heil van de parochie voor ogen te hebben, enorm veel onrust gezaaid onder dat gedeelte van de parochie dat niet zo actief is. Zij doen verwoede pogingen de pastoor via de media zwart te maken. Dat lukt altijd want de media zijn steevast op de hand van de oproerkraaiers. En zo wordt het werk dat de duivel begonnen is in de “vernieuwende pastoor” door zijn volgelingen voltooid in een poging het werk van de nieuwe pastoor onmogelijk te maken en de harten van de mensen te sluiten voor alles wat echt katholiek is.

Tenslotte:

Gelovigen die te maken krijgen met een “vernieuwende pastoor” die het geloof en de discipline van de katholieke Kerk met voeten treedt, gaan nooit naar de krant om die pastoor zwart te maken. Ze bidden voor hem en zoeken hun heil in een katholieke parochie.
“Vernieuwde gelovigen” die te maken krijgen met een katholieke pastoor, gaan bijna altijd naar de krant om die pastoor zwart te maken en openlijke verdeeldheid in de parochie te zaaien. Daarna lopen ze pas weg.

Raadsel: zoek de duivel in het verhaal!

Oss   feest van de heilige Franciscus 2013

Pastoor C. Mennen
e-mail: info@mennenpr.nl
cui resistite
home

liturgie

getijdengebed
preken
voordrachten

vrijmoedig commentaar

ons geloof

documenten