professoraal mandement
Er blijken ineens een hele reeks katholieke professoren te zijn die zich het lot van de Kerk aantrekken. In het maatschappelijk debat heb ik ze nog nooit de Kerk en de katholieke leer horen verdedigen. Ik heb ze nooit op horen komen voor de Kerk, voor uitspraken van de paus of voor de christelijke moraal die in onze seculiere maatschappij nogal onder druk ligt. Van de hele groep ken ik erop het eerste gezicht maar twee: prof. P. Nissen en prof. E. Jurgens. Beiden zijn bij mij niet bepaald als kerkvriendelijk en als krachtige  “defensores fidei” overgekomen. Ik meende dat Peter Nissen heeft zich na regelmatige kritiek op de Kerk bij de remonstrantse broederschap had aangesloten, een zeer vrijzinnige protestantse beweging. Ben je dan nog een katholieke professor of is hij toch niet echt lid geworden? Erik Jurgens heeft als voorzitter van de Mariënburgvereniging leiding gegeven aan club die een groot gedeelte van de katholieke geloofs- en zedenleer aan de kant wil schuiven en Jurgens zelf heeft deze niet-katholieke standpunten steeds  duidelijk naar voren gebracht. Nogmaals, de anderen ken ik niet en hun verbondenheid met de katholieke Kerk kan ik dus niet inschatten maar dat ze een manifest ondertekenen samen met twee genoemde professoren stemt mij niet bepaald vertrouwvol.

Van professoren wordt wel een beweerd dat het kamergeleerden zijn die weinig voeling met het werkelijke leven hebben. Daar lijkt het in dit geval ook op. Zij spreken immers over de kleine parochies als over vitale gemeenschappen. Dat kun je alleen maar zeggen als je (tenminste in het bisdom Den Bosch; over andere bisdommen oordeel ik niet) al jaren niet meer in de kerk geweest bent. Wat je daar op zondagmorgen aantreft zijn vaak groepjes van een vijftigtal ouderen in een veel te grote kerk. Er zingt een koor van ouderen of oudere jongeren (overblijfsel van het jongerenkoor uit de jaren 70). Kinderkoren verdwijnen steeds meer uit beeld omdat men geen kinderen meer bij elkaar kan brengen. Overigens zijn de meeste koorleden zo bij de liturgie betrokken dat ze alleen maar naar de kerk komen als ze moeten zingen. Dat geldt vaak ook voor veel vrijwilligers die in en rond de kerk actief zijn. Op een avond voor vrijwilligers zijn zeker drie tot vier keer zoveel mensen aanwezig als in de weekendvieringen. Hoe kun je zoiets een vitale gemeenschap noemen, zeker in het licht van de uitspraak van het Tweede Vaticaans Concilie dat de eucharistie bron en hoogtepunt van het kerkelijk en christelijk leven moet zijn. Dan begint toch daar de ware vitaliteit.

De parochiefusies komen niet op de eerste plaats voort uit gebrek aan financiën maar uit gebrek aan gelovigen. Bij veel mensen die zich nog katholiek noemen is het geloof verdampt tot een paar meningen waar men zich wel bij voelt maar die nauwelijks nog iets met het katholieke geloof te maken hebben. Nog erger is het gesteld met de opvattingen over de katholieke moraal. Ook ten aanzien van de groep van trouwe kerkgangers moet men zich geen al te grote illusies maken. Ook daar zit het geloof vaak niet erg diep. Dat merk je het beste als je ziet dat veel mensen afhaken als hun kerk gesloten wordt. Aan de eucharistie hecht men blijkbaar zo weinig waarde dat men zelfs niet  een kilometer verder wil gaan. Dat de professoren zijn blijven steken in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw blijkt uit de totaal wereldvreemde beschrijving van de huidige parochies: “bloeiende, sprankelende, volwassen geloofsgemeenschappen waarin op eigentijdse en aan de plaatselijke omstandigheden aangepaste wijze door leken wordt bijgedragen aan het geloofsleven en liturgie in open communicatie met de lokale ambtsdragers: actieve, bewuste participatie is in de plaats gekomen van passief meelopen.” Inderdaad zijn er hier en daar nog parochies waar een groep bejaarde mensen vasthouden aan de achterhaalde idealen van de zestiger jaren in “open communicatie” met ambtsdragers uit dezelfde tijd wier houdbaarheidsdatum met die van hun ideeën al ruimschoots verstreken is.

De noodzaak van fusies is gelegen in het sterk afgenomen aantal gelovigen en een daarmee samenhangende daling van het aantal priesters en de eveneens daarmee samenhangende financiële middelen. Deze drie oorzaken samen bewerken dat de vroegere kleinschalige parochies niet kunnen blijven bestaan. In feite ontstaat er zelfs in onze vroeger homogeen katholieke streken een diasporasituatie waarin we nieuwe geloofsgemeenschappen moeten vormen die zich uitstrekken over grotere gebieden dan een stadswijk of een dorp. Let wel, ik zou ook willen dat het mogelijk was de parochiefamilie in een vroegere dorpsgemeenschap of een stadswijk te handhaven. Maar de secularisatie (versterkt door de seculariserende tendensen in liturgie en prediking  in het hart van onze parochies sinds de jaren zestig) heeft zijn vernietigend werk gedaan. Heren professoren, de parochie zoals u die voorstaat is een utopie of misschien beter gezegd een anachronisme.

Daarnaast klopt uw verhaal ook theologisch en canoniek niet. U zegt namelijk dat in de fusieparochie “een uniformering van liturgie wordt opgelegd waardoor een einde wordt gemaakt aan de pluriforme eigenheid en teruggekeerd wordt naar vormen waarin de gelovigen weer in een passieve rol gedrongen worden”. Heren professoren, het moet u toch duidelijk zijn dat het Tweede Vaticaanse Concilie de grote lijnen voor een liturgiehervorming heeft uitgezet in de Constitutie Sacrosanctum Concilium. Een belangrijk nummer daarin is 22 waarin met nadruk staat dat de regeling van de Liturgie toekomt aan de Heilige Stoel en binnen bepaalde grenzen aan de Bisschoppenconferentie en de plaatselijke Bisschop maar dat verder niemand, zelfs al is hij priester, iets mag toevoegen of weglaten in de liturgie. In die zin hebben wij in de katholieke Kerk een uniforme liturgie, waarbinnen trouwens bepaalde legitieme keuzemogelijkheden zijn. Voor het feit dat men in sommige parochies eigenzinnig “creatief” met de liturgie omgaat, is geen enkele rechtvaardiging in het Concilie te vinden noch in de legitieme post-conciliaire vernieuwingen. Het streven van de Nederlandse bisschoppen is al zeer lang om de parochies te normale liturgie te laten vieren en dat is uiteraard ook de bedoeling in een fusieparochie. Hoe komt u erbij te beweren dat de gelovigen “weer in hun passieve rol gedrongen worden”? In de liturgie heeft iedereen zijn eigen actieve rol, ook de leek maar ook de priester en de diaken. Het gaat erom dat iedereen zoveel mogelijk zijn eigen taak vervult zoals die door de liturgische boeken is voorzien.

Ook een belangrijke theologische misser van de heren professoren is de gelijkstelling van de parochie met het begrip “plaatselijke kerk”. Lumen Gentium en alle kerkelijke documenten gebruiken het begrip plaatselijke Kerk altijd in de zin van bisdom, nooit van parochie. Een plaatselijke Kerk bestaat theologisch gezien alleen rond de bisschop als de eigen herder. Een parochie is een onderdeel van die plaatselijke Kerk, door de bisschop opgericht, om onder leiding van de pastoor als eigen herder een geloofsgemeenschap te zijn in gemeenschap met de bisschop. Wij zijn een hiërarchische gemeenschap, dwz wij hebben bestuur, niet van onderop, maar van goddelijke oorsprong. De “voorzitters” van onze gemeenschap zijn gewijden die via de wijding van Christus zelf de opdracht ontvangen hebben te verkondigen, te heiligen en te leiden. Daarom zijn bisschoppen en priesters van wezenlijk belang voor de Kerk. Niet gewijde medewerkers zijn op allerlei terreinen van het kerkelijk leven zeer belangrijk en onmisbaar. Te suggereren dat de bisschoppen daarover anders zouden denken, is een onhoudbare insinuatie. Waar de bisschoppen - en niet alleen zij - moeite mee hebben, is dat soms - en dat vooral binnen de zgn “pluriforme eigenheid” waarover de professoren spreken - de niet gewijden nauwelijks nog gewijden naast zich dulden. Dat een priester in sommige streken nauwelijks of niet de kans krijgt om in het weekend meerdere keren de eucharistie te vieren omdat er een pastorale werker is die zijn eigen ding wil doen, dat is de feitelijkheid. Er is in Nederland geen gevaar voor een “priesterkerk” maar voor een lekenkerk die feitelijk geen hiërarchie naast duldt en functionaliteit boven gewijd zijn.

De manier waarop de professoren  de plaatselijke geloofsgemeenschap beschrijven is heel mager. Ik ken er niet veel in terug van wat de Kerk (ook het Concilie) als wezenlijke inhoud van de “verbondenheid” in die geloofsgemeenschap ziet. Volledige gemeenschap met de Kerk en binnen de Kerk met elkaar en daardoor ook met God heb je allereerst door de band van de belijdenis van hetzelfde geloof. Het gaat hier om het katholieke geloof in heel zijn volheid. Daar moet je individueel en samen ja op kunnen zeggen, al is daar uiteraard groei in mogelijk. Een tweede band is de beleving van dezelfde sacramenten en het vieren van de liturgie volgens de canonieke voorschriften van de Kerk. En tenslotte de derde band is het aanvaarden van het bestuur van de plaatselijke bisschop en het leven en handelen in eenheid met hem. Hierdoor wordt een katholieke geloofsgemeenschap gekenmerkt. Dat is meer dan de wat vage termen die de professoren gebruiken. Het klinkt daar allemaal wat “gevoeleriger” en daar is niks op tegen als het maar op de solide basis van de drie kerkelijke banden gebeurt.

Als de professoren de Kerk en de gelovigen hadden willen helpen, dan hadden ze hen moeten oproepen hun geloof trouwer te beleven en moeten getuigen van de rijkdom van het katholieke geloof, van de grootsheid van de katholieke Kerk en van het feit dat zij zelf voluit vanuit het katholieke geloof leven.

20 april 2013

Nog even dit:

De brief is gericht aan de “zetelbisschoppen” in Nederland. Dat klinkt wat merkwaardig. Wij zijn gewend te spreken van “residerende bisschoppen”. Misschien is die term door een Limburgse professor bedacht. Daar spreken ze ook van “leesmissen”.


Zie voor dit thema ook de voortreffelijke column van Anton de Wit "De uitholling van de universiteiten".



Pastoor C. Mennen
e-mail: info@mennenpr.nl
cui resistite
home

liturgie

getijdengebed
preken
voordrachten

vrijmoedig commentaar

ons geloof

documenten