de mythe van het concilie
Vandaag is het vijftig jaar geleden dat het tweede Vaticaans Concilie geopend werd. Het  radiojournaal van de NOS besteedde daar vanmorgen aandacht aan in een gesprek met pater Theo te Wierik msc, pastoor in Moergestel. In een paar minuten vertelde hij enthousiast het gebruikelijke verhaal. Het Concilie heeft de altaren omgedraaid. De priester stond voortaan niet meer met zijn rug maar met zijn  gezicht naar het volk. Het was nu in de kerk voortaan samen aan tafel gaan net als Jezus dat 2000 geleden gedaan had. De viering was nu in het Nederlands. Dat was wel een probleem. Want er waren nog geen teksten. Dus werden er allerlei nieuwe creatieve teksten gemaakt. Drumstellen kwamen in de kerk en er werden zogenaamde beatmissen gehouden. Geweldig! Vóór het Concilie moesten we biechten maar dat was nu voorbij: er kwamen boetevieringen en vergevingsdiensten. Op de vraag van de verslaggeefster hoe het nu verder moest met de Kerk, zei pater te Wierik: “De Kerk zal blijven als we maar terug gaan naar die man van Nazareth, die koos voor de zwaksten in de samenleving. Dat preek ik altijd in mijn kerk.”

Dit interview illustreert hoe een oudere generatie priesters en gelovigen het Concilie zien en daarmee sommige ontwikkelingen in de laatste jaren beschouwen als ontrouw aan het Concilie. Ze duiden die ontwikkelingen vaak aan met het woord “restauratie”. Dit woord is dan niet positief bedoeld maar wil aangeven dat alles zou teruggedraaid worden tot de tijd voor het Concilie. Dit alles is een hardnekkige mythe die ofwel op domheid ofwel op kwaadwilligheid berust.

De eerste mythe is dat het Concilie het Latijn zou hebben afgeschaft en de altaren zou hebben omgedraaid. Het Concilie heeft in de Constitutie voor de Liturgie het Latijn als taal voor de liturgie gehandhaafd, alleen bepaalde verruimingen voor de volkstaal voorgesteld. Van een omkering van de altaren is bij het Concilie al helemaal geen sprake.

Een tweede mythe dat is het Concilie de eucharistie zou hebben bestempeld “als samen aan tafel gaan net als Jezus dat 2000 jaar geleden gedaan heeft”. Het Concilie benadrukt heel nauwkeurig de verschillende aspecten van de eucharistie: tegenwoordigstelling van het kruisoffer, viering van het Paasmysterie, de maaltijd van de Heer, de werkelijke tegenwoordigheid. Het heeft alleen in de lijn van de al langer bestaande liturgievernieuwing “de actieve deelname van de gelovigen” willen bevorderen. Daarmee is overigens door het Concilie heel iets anders bedoeld dan dat iedereen zo nodig een aparte taak moet hebben zoals dat vaak in kindervieringen het geval is.

Een derde mythe is dat het Concilie vrij baan zou hebben gegeven voor allerlei creativiteit in de liturgie: in het verzinnen van riten en het produceren van teksten. Integendeel zelfs is een vaststaand feit: de Constitutie voor de Liturgie stelt nadrukkelijk dat alleen het kerkelijk gezag de liturgie mag regelen en dat aan die regels door niemand, zelfs al is hij priester, iets mag worden toegevoegd of afgedaan.

Een vierde mythe is dat het Concilie de biecht zou hebben afgeschaft. Niets is minder waar. Het Concilie heeft de traditionele leer van de biecht bevestigd.

Wel is waar dat bovengenoemde mythen vrij gauw na het Concilie in Nederland zijn ontstaan, gretig werden geloofd en door priesters steeds weer werden herhaald in hun parochies waar ze ruim weerklank vonden. Tegen de voorschriften van het Concilie in werd de biecht van het ene op het andere moment afgeschaft verklaard. En gaandeweg werd zelfs het zondebesef van de gelovigen volledig uitgehold. De “ruimere blik” op de kerkelijke moraal, de zogenaamde “goede bedoeling” en de “liefde die nu eenmaal alles bedekt”, deden hun funeste werk, niet het Concilie.

Er werden volop teksten en riten gefabriceerd die soms weinig met de overgeleverde liturgie van de Kerk van doen hadden. Een belangrijke rol speelde daarin de Studentenekklesia in Amsterdam met de jezuïeten Oosterhuis en Huijbers die al vrij gauw in conflict kwamen met de bisschop van Haarlem omdat ze niet-katholieke opvattingen huldigden over eucharistie en priesterschap. Maar hun teksten bleven (al dan niet via de uitgeverij Gooi en Sticht) gretig aftrek vinden in veel parochies. We noemen de Werkmap voor Liturgie en de Werkmap voor jongeren die vaak meer weg hadden van een verzameling vage, onbegrijpelijke kortregelige gedichten dan van kerkelijk liturgische teksten. Er ontstonden veel dito liederen die meer aansloten bij het steeds vager worden geloof van de leidende kerkelijke klasse dan dat het uitingen waren echte christelijke godsvrucht.

De voorlopige vertalingen van de liturgische boeken die in opdracht van het Concilie werden samengesteld, moesten vaak wijken voor de self made vieringen. En toen na lang traineren uiteindelijk in 1979 het nieuwe missaal in Nederlandse vertaling uitkwam, was dat voor veel priesters “een boek te veel”.

Veel priesters van mijn generatie en ouder kennen en gebruiken het missaal en de andere liturgische boeken van het Concilie nog steeds  niet. Met de alternatieve teksten die niets met het Concilie te maken hadden en er zelfs tegenin gingen, veranderden de priesters langzamerhand het geloof van henzelf en van de gelovigen die aan hun zorgen waren toevertrouwd. Het meest duidelijk is dat te merken in gemeenschappen als de voormalige San Salvatorparochie in Den Bosch maar ook in gematigde vorm in heel veel parochies die lange tijd priesters van de Conciliemythe-signatuur hebben gehad. Daar is het bijna onmogelijk de teksten en voorschriften van het Concilie in te voeren zonder enorme problemen te ondervinden.

Hoe kun je een Conciliemythe-signatuur in een parochie ontdekken?
- als men er consequent spreekt over Jezus als “de Man van Nazareth” of “die geweldige mens”. Dat zijn termen die je in het evangelie of in de brieven van Paulus en dus ook bij het Concilie niet tegenkomt.
-als men bij voorkeur spreekt over “voorgangers” in plaats van “priesters”; van “pastores” in plaats van de onderscheidende termen “pastoor”, “diaken”, “pastoraal werker.”
-   als men allergisch is voor een zin als “de Kerk leert ons” of “de Kerk schrijft voor” en daar steevast op antwoordt: “wij zijn toch allemaal kerk!”.
-    als men graag met zijn allen naast de priester aan het altaar staat bij wat in de boeken van het Concilie “Eucharistisch Gebed” heet maar wat door hen steevast “tafelgebed” wordt genoemd.
-    als men in de praktijk geen verschil meer kent tussen de katholieke eucharistie en het protestantse avondmaal en die gelijkschakelt. Als men tegen de voorschriften van het Concilie intercommunie praktiseert.
-   als de uitvaarten het karakter van een soort cabaret hebben waarin de familieleden acteren, de overledene het middelpunt is en de “pastor” een soort sprekende stalmeester.
-   als huwelijken verzamelingen van gedichten en andere teksten over de liefde zijn die bij voorkeur niet uit de bijbel komen en waarbij de muziek slechts voortkomt uit de seculiere smaak van het bruidspaar en niet uit liefde voor God en de eredienst van de Kerk.

En weet u nou wat komisch zou zijn als het niet zo tragisch was? Dat de concilie-mythe-mensen graag zeggen dat de “officiële Kerk” (paus en bisschoppen en de hun getrouwe priesters) de jeugd uit de kerk heeft gejaagd. Grotere onzin is welhaast niet mogelijk. Immers dan zou het in de parochies waar men zich al veertig jaar lang niets van de officiële Kerk aantrekt, moeten wemelen van jongeren, iedere zondag, maar juist daar zijn er helemaal geen! De weinige jongeren in de Kerk van Nederland zijn orthodox en zoeken naar parochies waar het werkelijk volgens het Concilie is: waar het missaal op het altaar ligt en uit de lectionaria wordt gelezen, waar de priester de houdingen aanneemt die voorgeschreven zijn en waar men normale liturgische gezangen zingt, al dan niett in het Latijn. Voor iedereen is het moeilijk maar de concilie-mythe-mensen hebben in ieder geval hun geloof (of wat ervoor doorging) niet aan de volgende generatie kunnen overdragen.

De werkelijkheid vijftig jaar na het Concilie is: dat in Nederland de werkelijke, echte beleving van het Concilie en de ontplooiing van de vruchten ervan veelal nog moeten beginnen. De vijftig jaar die achter ons liggen zijn meer bepaald door de rook van Satan die volgens Paulus VI na het Concilie door de open ramen van de Kerk is binnengedrongen dan door de heilige Geest van het Concilie.

11 oktober 2012
Begin van het jaar van het Geloof

Pastoor C. Mennen
e-mail: info@mennenpr.nl
cui resistite
home

liturgie

getijdengebed
preken
voordrachten

vrijmoedig commentaar

ons geloof

documenten