in memoriam mgr. Gijsen
Vandaag, op de dag van zijn uitvaart en begrafenis, wil ik een ogenblik stilstaan bij de betekenis van Mgr. Gijsen voor de Kerk van Nederland. In de kranten hebben we de gebruikelijke clichés gehoord: oerconservatief, zetbaas van Rome, ongenaakbaar en niet communicatief.
Om bij het laatste te beginnen: ikzelf heb mgr. Gijsen leren kennen als een uiterst aimabele en vriendelijke man met wie je heel goed van gedachten kon wisselen, een man ook van enorme eruditie en grote liefde voor de Kerk. Wel heeft hij vanaf het allereerste begin, vanaf het moment van zijn benoeming, te maken gehad met een ongekende vijandigheid en een totale negativiteit in de media. Dit heeft hem met name kopschuw gemaakt naar die media die hij tijdens zijn episcopaat in Roermond zoveel mogelijk gemeden heeft en waar tegenover hij altijd een gespannen indruk maakte. Toen hij eenmaal uit Roermond vertrokken was heeft hij enkele interviews gegeven waarin hij verscheen als de open, vriendelijke man die hij in feite was.

Wie zich de Kerk in Nederland van de eind jaren zestig en de jaren zeventig kan herinneren, weet dat in die tijd de afbraak voluit op gang kwam. Priesters verkondigden de meest heterodoxe opvattingen op de preekstoel en in de scholen, vierden op de meest vreemde wijze de liturgie en traden, nadat zij de zaak op zijn kop gezet hadden, in groten getale uit. Veel toenmalige bisschoppen schrokken er niet voor terug diezelfde priesters als godsdienstleraren op scholen te handhaven en soms zelfs als pastorale werker aan te stellen in de parochie waarin ze tevoren als priester gewerkt hadden. Na de afschaffing van de catechismus gleed de catechese onder leiding van de bisschoppen steeds verder weg in een soort humanistisch geleuter. Ik mag hier herinneren aan de projecten van Hoger Katechetisch Instituut in Nijmegen die vrijwel op alle scholen gebruikt werden maar die weinig met het katholieke geloof te maken hadden. Eind jaren zestig waren alle seminaries opgeheven en op diverse plaatsen in het land geconcentreerd in academische theologische opleidingen. Deze opleidingen hebben alleen in het allereerste begin (naijleffect van de seminaries) priesters opgeleverd maar vrijwel meteen droogde de toevoer van priesters voor de bisdommen op. De zittende bisschoppen deden er niets aan en bleven de opleiding aan de nieuwe instituten verdedigen. De meeste studenten verloren gaandeweg - ook door het onderwijs en het type docenten dat doceerde - hun roeping; een enkele doorzetter vertrok naar het buitenland en werd daar priester.

Was het vreemd dat Rome in die situatie een bisschop in Roermond benoemde die aan deze situatie weerstand zou kunnen bieden en die een steun zou kunnen zijn voor de pas te voren benoemde bisschop Simonis van Rotterdam die wel anders wilde maar zich gemakkelijk liet intimideren door zijn omgeving en niet durfde doorpakken? Hoe ernstig de situatie in de Kerk van Nederland was bleek uit het enorme protest tegen de benoeming, met name ook van de Limburgse clerus. De houding van aartsbisschop kardinaal Alfrink verdient daarbij bepaald geen schoonheidsprijs. Dat de wijding in Rome plaats vond door de paus zelf en dat Alfrink daarbij aanwezig moest zijn, was niet bepaald toevallig. Immers kardinaal Alfrink had bij de wijding van mgr. Simonis in Rotterdam zijn kritiek over diens benoeming en het begrip voor de protesten daartegen niet onder stoelen of banken gestoken. Rome wilde dit geen tweede keer en de wijding in Rome was de subtiele pauselijke manier om de kardinaal op de vingers te tikken en de nieuwe bisschop van Roermond een stevige steun in de rug te geven.

Als er over mgr. Gijsen geschreven wordt, lijkt het vaak alsof hij allerlei maatregelen tegen bepaalde praktijken en tegen bepaalde personen (priesters) nam. In feite is het zo dat mgr. Gijsen nauwelijks of niet repressief is opgetreden hoewel veel situaties er alle reden en het kerkelijk recht hem er alle bevoegdheid toe gaven. Hij koos voor een andere, positieve wijze om de katholieke Kerk in zijn bisdom op te bouwen. We noemen hierna enkele van zijn speerpunten.

Allereerst de oprichting van het grootseminarie Rolduc. Hierbij kreeg hij heel het kerkelijk establishment over zich heen. Dat werd alleen maar erger toen het seminarie een groeiend succes bleek. Vanuit het hele land kwamen er jonge mannen naar Rolduc om priester te worden. Ze konden hier hun roeping volgen die op de theologische hogescholen geen kansen kreeg. In het establishment heerste de opvatting dat er een ander (niet celibatair) priesterschap moest komen of zelfs dat de tijd van de lekenkerk was aangebroken. Dit streven werd doorkruist door een Rolduc dat bewees het priesterschap wel degelijk toekomst had als maar de juiste voorwaarden werden geschapen. Daarom maakte men de opleiding zwart. De toenmalige bisschop van Den Bosch had liever geen priesters dan dat hij Brabantse mannen die in Rolduc opgeleid waren, tot priester wijdde. Ondanks het feit dat dit onder Mgr. ter Schure veranderde, zijn er toch nog steeds een flink aantal Brabanders in het Limburgse werkzaam. De priesters die op Rolduc zijn opgeleid hebben allen een hartelijke band met Mgr. Gijsen en zijn hem dankbaar voor de oprichting van Rolduc. Niet voor niets zei mgr. Wiertz bij zijn aantreden als bisschop Roermond dat hij zijn voorganger dankbaar was dat deze de priesters hun identiteit had teruggegeven.

Ook de catechese werd door Mgr. Gijsen voortvarend ter hand genomen.  Zijn geloofsboek “Zekerheid en Vrede” (1978) was na de dubieuze Nieuwe Katechismus van 1966 voor het eerst weer een veilig kompas waarop de Nederlandse katholiek in geloofszaken kon varen. Hij zag dat de katholiciteit van de scholen steeds verder terugliep. Dat was mede te wijten aan de NKSR aan wie de bisschoppen de verantwoordelijkheid voor het onderwijs gedelegeerd hadden maar die reglementen opstelden waardoor de katholiciteit absoluut niet werd gegarandeerd en waarbij aan leerkrachten op het gebied van het geloof nauwelijks nog eisen werden gesteld. De gezamenlijke bisschoppen deden niets dan in gesprek blijven en veelal wollige nietszeggende brieven over het onderwerp schrijven. Hier zien we ook hoe bisschoppen vaak gevangen zitten in de collectiviteit van de conferentie waarachter ze zich verschuilen en die hun iedere persoonlijke verantwoordelijkheid ontneemt. In 1987 neemt Mgr. Gijsen zijn verantwoordelijkheid, trekt zijn delegatie aan de NKSR in en vaardigt een eigen zeer gematigd katholiek reglement uit. De reactie van de collega bisschoppen is ronduit laf en die van de NKSR is aanmatigend. Deze laatste laat weten dat zij wel goedkeuring zal geven aan scholen in Limburg die het reglement van de bisschop niet willen aanvaarden. Dit is kerkrechtelijk onbestaanbaar omdat de NKSR sinds het intrekken van de delegatie in het Roermondse geen enkele bevoegdheid meer had. Maar publicitair is door de onverantwoordelijke houding van de bisschoppen en het brutale optreden van de NKSR de toon gezet en worden de scholen eigenlijk aangemoedigd het reglement niet te aanvaarden.  Hiermee hebben de Nederlandse bisschoppen de kans voorbij laten gaan om nog iets van de katholieke scholen te  bewaren. Ze wilden de lieve vrede bewaren en hebben daarmee het hele katholieke onderwijs verloren.

In de jaren zestig en zeventig waren de landelijke missieacties en met name ook de Bisschoppelijke Vastenactie verworden tot instanties die vooral linkse regimes steunden vaak tegen de plaatselijke Kerk in. Dat het geld dat door de gelovigen in goed vertrouwen gegeven werd, linkse organisaties en niet de Kerk ter plaatse ten goed kwam, was voor mgr. Gijsen aanleiding het Missiebureau voor het Bisdom Roermond op te richten. Ook dat werd hem door zijn collega’s en door de publiciteit niet als gerechtigheid aangerekend. Pas nu komen de bisschoppen erachter dat het beter is afstand te nemen van acties als Adveniat en ook de Vastenactie omdat ze met de katholieke Kerk niet veel meer van doen hebben.

Mgr. Gijsen heeft het niet gemakkelijk gehad. Daar zijn de publicitaire tegenwerking, de houding van zijn collega’s maar ook het mislukken van het Medo en niet in de laatste plaats het schandaal op Rolduc. Hij heeft echter ondanks alle tegenwind en tegenwerking geprobeerd te doen wat een goed bisschop  verschuldigd is te doen.

Ik zou hem zonder aarzelen de grootste Nederlandse bisschop van de laatste vijftig jaar willen noemen. Hij was de bisschop die een identificatiepunt was voor veel mensen in het hele land die in de verwarring van de tijd katholiek wilden blijven. Hem is nogal eens polarisatie verweten. Dit is volkomen onterecht. Hij deed alleen maar wat katholiek was en verdreef daardoor de vrijzinnigen uit het midden van de Kerk waar zij na het Concilie genesteld hadden. Als je in de kerkgemeenschap gewoon katholiek bent en het katholiek leven urgeert, wordt het dissidente naar de rand of naar buiten gedrukt, waar het ook hoort. Dat is geen polarisatie maar zuivering. De Nederlandse Kerk is mgr. Gijsen veel dank verschuldigd.

Moge God nu zijn trouwe dienaar belonen voor alles wat hij dienst van zijn Kerk gedaan heeft.

Oss
Hoogfeest HH Petrus en Paulus 2013
Pastoor C. Mennen
e-mail: info@mennenpr.nl
cui resistite
home

liturgie

getijdengebed
preken
voordrachten

vrijmoedig commentaar

ons geloof

documenten