gebroken zwart
in memoriam mgr J.W.M. Bluyssen
Met het overlijden van Mgr. J.W.M. Bluyssen komt er een einde aan een bewogen periode in de geschiedenis van de Bossche Kerk. Hij was het willige boegbeeld van een kerk die zich in het merendeel van de priesters en in de door hen meegesleepte gelovigen beriep op de zogenaamde “geest van het Concilie” zonder zich ook maar een zier te bekommeren om de werkelijke teksten van het Concilie en op de uitwerking ervan door de wettige organen van de Kerk. Die kerk is nu bejaard en letterlijk bezig uit te sterven. Haar leden hebben niet de kans gezien “hun geloof” op de volgende generatie (hun kinderen en kleinkinderen) over te dragen. De kleine groep jongere gezinnen en kerkbetrokkenen zijn bepaald niet van de “liberaal-katholieke” snit waar mgr. Bluyssen volgens het NOS-journaal zo mee verbonden was

Ik wil proberen, uit eigen ervaring puttend, de positie van bisschop Bluyssen in deze weinig orthodoxe periode van de Bossche kerk te schilderen. Bij de commotie rond de benoeming van Mgr. Terschure als opvolger van mgr. Bluyssen heb ik een rapport over de kerkelijke situatie geschreven waarin op drie terreinen grote manco’s zag en hoopte op verbetering.

Allereerst de priesteropleiding. Vrijwel onmiddellijk na de sluiting van het seminarie in Haaren in 1967 werd al duidelijk dat de nieuwe theologische opleidingen geen priesters opleverden. Mensen met een authentieke roeping verloren die al vrij snel door het weinig kerkvriendelijke karakter van (diverse docenten van) de faculteit en de veelal negatieve benadering van het (celibataire) priesterschap. Een theologiestudent uit die tijd beschreef de faculteit in Tilburg nogal kras als een “abortuskliniek voor roepingen”. Officieel wilde men doen geloven dat er geen roepingen waren. Toen de nieuwe bisschop van Roermond, Mgr. Gijsen, begin jaren zeventig, een nieuw seminarie in Rolduc begon, kon niemand meer zeggen dat er geen voldoende kandidaten waren. Immers vanuit het hele land stroomden de jonge mensen naar Rolduc om daar de priesteropleiding te volgen. Op zijn toppunt had Rolduc wel een kleine honderd seminaristen waarvan een flink aantal diocesanen van het Bossche bisdom waren. Zij wilden eigenlijk geen priester worden in het Limburgse maar ieder kloppen aan de deur van het Bossche bisschopshuis bleef tevergeefs. Bisschop Bluyssen weigerde ze te ontvangen of weigerde ze in ieder geval als priester toe te laten in zijn bisdom. De alom gerespecteerde pastoor Marks uit Oisterwijk, vroegere professor van het grootseminarie, heeft de bisschop op een bijeenkomst met priesters gevraagd waarom hij geen kandidaten van Rolduc aanvaardde. Hij wist daar niet zo goed op te antwoorden maar zei wel dat de opleiding niet goed was. Hierop nodigde pastoor Marks hem uit met hem een bezoek aan Rolduc te brengen om zich ter plaatse te overtuigen. Dat wilde de bisschop niet. Blijkbaar liever geen priesters, dan priesters opgeleid aan een seminarie dat helemaal ingericht was volgens de voorschriften van Vaticanum II en dat voluit de zegen van de paus had.
Iedereen die in die jaren, ook vanuit de faculteit, priester wilde worden, had het moeilijk. De wijding werd eindeloos uitgesteld: je moest eerst jaren als pastorale werker werken zonder uitzicht op wijding. In die tijd vroeg mij eens een hoogleraar uit Leuven: “Wil de bisschop van Den Bosch geen priesters? Dit naar aanleiding van een Brabantse student in Leuven die zich graag als priesterstudent in Den Bosch wilde laten inschrijven om in en van de colleges voor priesters in Leuven te kunnen wonen, maar die dat maar met grote moeite in Den Bosch gedaan kreeg. In dit verband is het de moeite waard te vermelden dat de pastorale opleiding aan de faculteit die priesterkandidaten moest begeleiden naar de pastorale praktijk en de bisschop moest adviseren over de geschiktheid van de kandidaten, in die tijd geleid werd door een priester en ex-priester van ons bisdom. Dat een getrouwde ex-priester, die voordien aan het grootseminarie verbonden was, niet het geschikte rolmodel voor een priesteropleiding is, lijkt mij evident. Maar voor bisschop Bluyssen was dat doodnormaal. Een wat oudere student, die weigerde zich pastoraal te laten vormen door die ex-priester, en die vroeg om een andere oplossing, kreeg bij de bisschop nul op rekest. De kandidaat wendde zich toen in arren moede tot Rome waar hij door de  hoogste autoriteit van de Congregatie werd ontvangen en de raad kreeg naar bisschop Gijsen te gaan. De betreffende persoon is toen in het Roermondse priester geworden. Toen ik later in Tilburg kwam in de parochie van de Ringbaan West was de priester, die het hoofd was van de pastorale opleiding, jarenlang mijn buurman. In het begin assisteerde hij nog wel op zondag in een parochie maar later niet meer. Volgens de buren ging hij op zondag niet meer naar de kerk. Toen hij met de Vut ging, is hij, overigens zonder het bisdom te verwittigen, tot verbazing van niet weinigen, met een dame getrouwd. Deze mensen en deze opleiding genoten blijkbaar het volste vertrouwen van de Mgr. Bluyssen.
Ik kan hier nog het volgende aan toevoegen. Een klasgenoot die met mij gewijd is en al vrij gauw is uitgetreden heeft mij verzekerd dat Mgr. Bluyssen hem voor de subdiaconaatswijding (waaraan in die tijd nog de celibaatsgelofte verbonden was) had gezegd - toen hij aarzelde of hij de wijding wel zou ontvangen in verband met de celibaat -: laat je maar wijden; het celibaat verdwijnt toch binnen afzienbare tijd. Dit wordt bevestigd door een andere uitgetreden priester die beweert dat de bisschop gezegd zou hebben: “je kunt nu als pastorale werker blijven werken, maar het duurt niet lang voordat het celibaat wordt afgeschaft en dan benoem ik je weer in je oude functie”.

Een volgende terrein is de catechese. Algemeen bekend is de commotie rond de catechesecursus van O(ns) M(iddelbaar) O(nderwijs) in 1973 waarvoor Mgr. Bluyssen een lovende inleiding schreef, terwijl de Congregatie voor de Geloofsleer ernstige leerstellige bezwaren tegen de inhoud had. In de jaren 70 was ook het H(oger) K(atechetisch) I(stituut) uit Nijmegen actief, al berucht vanuit de jaren 60 vanwege de uitgave van Nieuwe Katechismus. Dit instituut liet de systematische basisschoolcatechese varen en gaf een aantal catechetische projecten uit die niet van het geloofsgoed uitgingen maar van de ervaringswereld van de kinderen. In die tijd gaf ik als kapelaan godsdienstles aan diverse scholen. Ik vond de HKI-projecten (die meestal ophielden als ze eigenlijk moesten beginnen) veel te mager. Maar ik kon er niet onderuit. Ik voegde daarom regelmatig katholieke dingen over het kerkelijk jaar en de sacramenten etc toe. Dat was een doorn in het oog van sommige leerkrachten die vonden dat ik mij wat meer op de algemeen religieuze vlakte moest houden vanwege de islamitische kinderen op school. Op een zeker moment werd ik dan ook ter verantwoording geroepen door een mevrouw uit het bestuur die verantwoordelijk was voor identiteit en catechese. Dat was sinds enkele jaren niet meer de pastoor maar sinds kardinaal Alfrink de zorg voor het onderwijs met veel aplomb had toevertrouwd aan de leken een gewone mevrouw of meneer. Bij ons was dat toen al een mevrouw die niet meer praktiseerde maar wel mij kapittelde. Ze zei dat ik mij in de catecheselessen moest houden aan de HKI-projecten. Die waren immers door de bisschoppen voorgeschreven. Ik heb me toen schriftelijk tot mgr. Bluyssen gewend en hem gevraagd of hij inderdaad achter die HKI-projecten stond en of ik volgens hem verantwoord was als ik mij in de catechese tot deze projecten beperkte. Op deze brief ontving ik nimmer een antwoord. Betrouwbare katholieke catechese kwam in die tijd alleen via de Stichting Verkondiging Roermond.

Een derde terrein is de liturgie. Hoewel Mgr. Bluyssen als bisschop-referent voor liturgie de vertaling en de uitgave van de nieuwe liturgische boeken voorbereidde en van een imprimatur voorzag, heeft hij bijzonder weinig inspanningen verricht om deze boeken in zijn diocees ingevoerd te krijgen. Van zijn D(iocesaan) P(astoraal) C(entrum) herinner me alleen hun activiteiten voor onze priesterwijding. Wij hebben toen het door hen voorgestelde ritueel, waarbij wij als leek binnen zouden komen (we waren uiteraard al diaken gewijd) en pas gedurende de plechtigheid met de liturgische gewaden zouden worden bekleed, afgewezen en vervangen door een normalere versie aansluitend bij het rituale. In de parochies konden alle misbruiken ongestoord welig tieren. Op een bijeenkomst in Tilburg met de bisschop heb ik hem gevraagd wat duidelijker de bevoegdheden van de pastorale werkers op liturgisch terrein af te bakenen. Hij zei toen dat hij dat niet nodig vond.

Voor mij was (hoe naïef!) de Bijzondere Synode van de Nederlandse Bisschoppen rond de paus in 1980 een hoopvol gebeuren. De geluiden uit Rome waren positief. De bisschoppen waren het over allerlei hete hangijzers eens geworden. Ik dacht: nu gaan de neuzen langzaam dezelfde kant op. Maar nee, de werkelijkheid was heel anders. Ik herinner me een bijeenkomst in een goedgevulde Studiozaal van de Tilburgse Schouwburg waar de bisschop verslag kwam doen van de Synode. Hij heeft geen enkel positief woord gezegd over de Synode. Hij deed er alleen maar somber over. Zo van: ik kon niet anders dan ermee instemmen. Je kon schriftelijk vragen stellen. Ik heb toen gevraagd of het volgens hem mogelijk was je oprecht over de resultaten van de Synode te verheugen. Deze vraag heeft hij niet beantwoord. Er was natuurlijk vanuit de clerus veel tegenstand tegen de besluiten van de Synode. Maar dat neemt niet weg dat hij als verantwoordelijke bisschop de Synode wel met verve had dienen te verdedigen. Of als hij het met zijn clerus eens was, had hij zijn handtekening in Rome niet moeten zetten. Dit was halfslachtigheid ten top, overigens een kenmerk van zijn hele episcopaat.

Tenslotte wil ik nog een zaak aanvoeren die mij persoonlijk erg geraakt heeft, omdat hij (mijn bisschop) mij (zijn priester) daarin publiekelijk afviel zonder mij zelfs maar één moment te horen. Ik had indertijd in Tilburg een wekelijks parochieblaadje in de kerk, de zogenaamde Westendbrief. Daarin behandelde ik nogal eens actuele onderwerpen en probeerde de parochianen te wapenen tegen het opdringend relativisme. Toevallig had ik het in die periode over bepaalde onderwerpen uit de kerkelijke moraal. Op dat moment komt een parochiane bij mij om te spreken over haar ervaringen met de school van haar zoon (een katholieke IVO-mavo). Ze was naar een ouderavond geweest waarop het ging over de seksuele voorlichting die op school gegeven werd. Alle materiaal dat ter inzage lag en dat door de leerkrachten als lesmateriaal of als achtergrondinformatie werd gebruikt kwam van de NVSH of soortgelijke instanties. De tendens was uitsluitend hedonistisch: geniet zoveel als je kunt maar doe het wel veilig en in wederzijds overleg. Er waren plastische voorbeelden bij, o.a. hoe je het best kon masturberen. De betreffende moeder had tegen dit alles geprotesteerd maar had weinig gehoor gevonden. In de volgende uitgave van de Westendbrief doe ik verslag van wat de moeder verteld had en noemde de betreffende school bij name. Ik breng dit alles in verband met de katholieke moraal. Ik krijg daarop een brief van de directie van de school dat ik een fout had gemaakt: ik had iets lesmateriaal genoemd terwijl het achtergrondinformatie voor de leerkrachten was. Ik publiceer de week daarop deze brief als rectificatie integraal in de Westenbrief. Zo werd eigenlijk door de school bevestigd dat het waar was wat ik geschreven had. Ze waren woedend, verboden mij verder nog uit hun brieven te citeren en dreigden met gerechtelijke stappen. Even later zagen ze daar weer van af en deelden mij mee dat het mij wel genoegen zou doen, dat enkele ouders hun kinderen van school hadden genomen. Ik dacht dat daarmee de kous af was. Wie schetst echter mijn verbazing, dat ik opeens een brief van de bisschop ontving (dezelfde die over de catechese niet kon antwoorden) waarin hij zich op hoge toon afvraagt welk belang er gediend is met mijn publicatie over die school. Hij deelt daarin tevens mee dat hij dezelfde brief aan de directie van de school heeft gestuurd. Ik heb de bisschop geantwoord dat hij blijkbaar niet weet waar het over gaat maar dat ik hem hierbij kopieën stuur van de gedeeltes van de betreffende boeken zodat hij kan zien wat een katholieke school aan haar leerlingen onderwijst. Dat ik er voorts geen behoefte aan heb mijn bisschop publiekelijk af te vallen. Daarop heb ik niets meer vernomen. In dezelfde tijd wordt de directeur van de betreffende school door de bisschop in het bestuur van de vereniging dekenaat Tilburg-Goirle benoemd.

Iedereen kent mgr. Bluyssen als een aimabele man en dat was hij ook. Als ik hem tegenkwam was hij altijd vriendelijk, ook naar mij toe. Die vriendelijkheid en die zachtaardigheid was zijn handelsmerk. Maar is dat voor een bisschop voldoende? Hij wilde waarschijnlijk in tijden van polarisatie iedereen bij de kerk houden maar daardoor werd de soep wel zo dun dat ze alleen te verteren was voor hen die langzaam afscheid van de Kerk aan het nemen waren maar niet meer aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Daarmee is bisschop Bluyssen, samen met zijn collega-bisschoppen in die tijd (mgr. Gijsen uitgezonderd) een katalysator geworden voor de deplorabele situatie waarin de Kerk hier te lande verkeert. Zijn bisschoppen zoals mgr. Bluyssen daarmee de oorzaak van de situatie waarin de Kerk in ons land nu verkeerd. Nee, er was een ontwikkeling van secularisering en ontkerkelijking bezig waaraan ook zij niets konden doen. Maar ze zijn, net als de meeste priesters in die tijd, te veel in die ontwikkeling meegegaan en zo is het woord van Jezus (als waarschuwing tegen een te grote aanpassing aan de wereld) aan onze vaderlandse kerk werkelijkheid geworden: “als het zout zijn kracht verliest, waarmee zal men dan zouten? Het dient alleen nog om weggeworpen en vertrapt te worden.” Dat vertrapt worden is nu volop aan de gang.

Is dit een oordeel over de persoon van mgr. Bluyssen? Nee, dat is het niet. Wel over zijn episcopaat. Het is mijn persoonlijk oordeel. Een definitief oordeel zal de geschiedenis wel vellen. Over de persoon van mgr. Bluyssen oordeelt alleen God en ook ik bid van harte dat dit oordeel barmhartig mag zijn en dat hij de bisschop die mij de priesterwijding toediende, mag opnemen in zijn eeuwige vreugde.


Oss

Hoogfeest van Maria Tenhemelopneming 2013
Pastoor C. Mennen
e-mail: info@mennenpr.nl
cui resistite
home

liturgie

getijdengebed
preken
voordrachten

vrijmoedig commentaar

ons geloof

documenten