Een achterdeur naar een neo-mozaïsche praktijk
in het Slotrapport  van de Synode

De 14de Algemene Vergadering van de Bisschoppensynode (4-25 oktober 2015), die gewijd was aan het thema “De roeping en de zending van het gezin in de Kerk en de wereld van deze tijd”, heeft een Slotrapport uitgebracht met enkele pastorale voorstellen ter beoordeling van de paus. Het document zelf is slechts van raadgevende aard en bezit geen formele magisteriële (van het leergezag) waarde.

Reeds tijdens de Synode verschenen de echte nieuwe leerlingen van Mozes en de nieuwe Farizeeën, die in de nrs 84-86 van het Slotrapport een achterdeur openden of dreigende tijdbommen legden voor de toelating van hertrouwd gescheidenen tot de Heilige Communie. Tegelijkertijd werden die bisschoppen, die onverschrokken “de eigen trouw van de Kerk aan Christus en aan diens waarheid” (paus Johannes Paulus II , Apostolische Exhortatie Familiaris Consortio, 84) verdedigden, in sommige mediaverslagen uitgemaakt voor Farizeeën.

De nieuwe leerlingen van Mozes en de nieuwe Farizeeën tijdens de laatste twee vergaderingen van de Synode  (2014en 2015) maskeerden hun praktische ontkenning van de onontbindbaarheid van het huwelijk en de afschaffing van het zesde gebod op een van geval-tot-geval basis onder het mom van het begrip barmhartigheid. Men gebruikt daarbij uitdrukkingen als “weg van onderscheiding”, “begeleiding”, “de leiding van de bisschop”, “dialoog met de priester”, “forum internum”, “een vollediger integratie in het leven van de Kerk”, een mogelijk afschaffing van de toerekenbaarheid in verband met het samenwonen in niet reguliere situaties (vgl. Slotrapport nrs. 84-86).

Dit onderdeel van de tekst in het Slotrapport bevat inderdaad een spoor van een neo-mozaïsche praktijk van echtscheiding, zelfs al hebben de redacteuren kundig en slim iedere directe verandering van de leer van de Kerk vermeden. Daarom zijn blijkbaar alle partijen, zowel de voorstanders van de zogenaamde “Kasperagenda” als ook hun tegenstanders tevreden en zeggen: “Alles is in orde. De Synode heeft de leer niet veranderd.” Toch is een dergelijke zienswijze tamelijk naïef omdat men geen rekening houdt met de achterdeur en de tikkende tijdbommen in het bovengenoemde tekstgedeelte. En dat wordt duidelijk bij een zorgvuldig bekijken van de tekst met behulp van criteria van interpretatie in de tekst zelf.

Ook als men spreekt over een “weg van onderscheiding”, is er sprake van “berouw” (Slotrapport nr. 85) maar er blijft niettemin een heleboel ambiguïteit. Feitelijk betreft een dergelijk berouw, volgens herhaalde beweringen van kardinaal Kasper en gelijkgezinde clerici, slechts de zonden uit het verleden tegen de echtgenoot van het eerste geldige huwelijk en het berouw van de gescheidene  mag inderdaad niet verwijzen naar de daden van huwelijkse samenwoning met de nieuwe partner met wie men burgerlijk gehuwd is.

De verzekering van de tekst in de nummers 85 en 86 van het Slotrapport dat een dergelijke onderscheiding gemaakt moet worden volgens de leer van de Kerk en in een juist oordeel, blijft niettemin ambigu. Inderdaad kardinaal Kasper en gelijkgezinde clerici hebben met nadruk en herhaaldelijk verzekerd dat de toelating van de hertrouwd gescheidenen tot de heilige Communie niet zou raken aan het dogma van de onverbreekbaarheid en de sacramentaliteit van het huwelijk en dat een gewetensoordeel in dat geval als juist moet worden beschouwd zelfs als de hertrouwd gescheidenen doorgaan met samenwonen op een huwelijkse manier en dat niet van hen zou worden gevraagd in volledige onthouding te leven als broer en zus.

Als het beroemde nummer 84 van de Apostolische Exhortatie Familiarus Consortio van paus Johannes Paulus II in nummer 85 van het Slotrapport wordt geciteerd, is dat door de redacteuren gecensureerd door er de volgende beslissende formulering uit weg te laten: “De weg naar de eucharistie kan alleen toegestaan worden aan hen die de plicht op zich nemen te leven in volledige onthouding, dat is, door zich te onthouden van daden die eigen zijn aan gehuwde paren”.


Deze praktijk van de Kerk is gebaseerd op de goddelijke openbaring van het woord van God: geschreven en doorgegeven door de Traditie. Deze praktijk van de Kerk is een uitdrukking van de ononderbroken Traditie sinds de apostelen en blijft dus onveranderlijk voor alle tijden. Reeds de heilige Augustinus verklaarde: “Wie zijn overspelige vrouw wegstuurt en een andere vrouw trouwt, terwijl zijn eerste vrouw nog in leven is, blijft continu in de toestand van overspel. Zo iemand doet geen enkele effectieve boete zolang hij weigert zijn nieuwe vrouw te verlaten. Als hij een geloofsleerling is, kan hij niet tot het doopsel worden toegelaten omdat hij in het kwaad blijft vastzitten. Als hij een (gedoopte) boeteling is, kan hij de kerkelijke verzoening niet ontvangen zolang hij niet breekt met zijn slechte houding” (De adulterinis coniugiis, 2, 16). In feite vormt boven geciteerde opzettelijke censuur van tot de leer van Familiaris Consortio in nr. 85 van het Slotrapport,  voor iedere gezonde hermeneutiek de echte interpretatiesleutel voor het begrijpen van de tekstsectie over hertrouwd gescheidenen (nrs. 84-86).

In onze dagen bestaat er een voortdurende en alomtegenwoordige ideologische druk van de kant van de massamedia zich te scharen achter de gedachte die opgelegd wordt door de anti-christelijke wereldmachten met het doel de waarheid van de onontbindbaarheid van het huwelijk te niet te doen – door het omlaag halen van het gewijde karakter van deze goddelijke instelling door de verspreiding van een anticultuur van scheiding en ongehuwd samenwonen. Reeds 50 jaar geleden stelde het Tweede Vaticaanse Concilie vast dat de moderne tijd geïnfecteerd is met de ziekte van de echtscheiding (vgl. Gaudium et Spes 47). Hetzelfde Concilie waarschuwde dat het christelijk huwelijk als sacrament van Christus “nooit mocht worden ontheiligd door overspel en echtbreuk” (Gaudium et Spes 49).

De ontheiliging van het “grote sacrament (mysterie)” (Ef. 5, 32) van het huwelijk door overspel en echtscheiding heeft massieve vormen aangenomen in alarmerende getallen niet slechts in de burgerlijke maatschappij maar ook onder katholieken. Als katholieken, door echtscheiding en overspel theoretisch en praktisch de wil van God afwijzen, zoals uitgedrukt in het zesde gebod, dan brengen zij zichzelf in serieus spiritueel gevaar hun eeuwige redding te verliezen.

De meest barmhartige daad van de kant van de herders van de Kerk zou zijn de aandacht op dit gevaar te richten door middel van een heldere – en tegelijk liefdevolle vermaning -  vermaning over de noodzakelijke volledige aanvaarding van het zesde gebod van God. Ze moeten in hun aansporing de dingen bij de juiste naam noemen: “echtscheiding is echtscheiding”, “overspel is overspel”en “wie bewust en vrijwillig zware zonden begaat tegen de geboden van God – en in dit geval het zesde gebod – en zonder berouw sterft, ontvangt de eeuwige verwerping en is voor altijd uitgesloten van het koninkrijk van God.”

Een dergelijke vermaning en aansporing is het werk van de Heilige Geest zoals Christus heeft geleerd: “Hij zal de wereld het overtuigend bewijs leveren van wat zonde, ge¬rech¬tigheid en oordeel is”(Joh. 16, 8)
Bij zijn uitleg over het werk van de Heilige Geest in “het overtuigend bewijs leveren van zonde” zei paus Johannes Paulus II: “elke zonde, waar en wanneer ook bedreven, verqwijst naar het kruis van Christus en dus indirect ook naar de zonde van hen die “niet in Jezus Christus geloofd hebben” en Hem veroordeeld hebben tot de dood aan het kruis.” (Encycliek Dominum et vivificantem, 29). Zij die een gehuwd leven leiden met een partner, die niet hun wettige echtgenoot is, zoals het geval is bij hertrouwd gescheidenen, verwerpen de wil van God. Dergelijke personen te overtuigen van deze zonde is een werk dat bewogen wordt door de Heilige Geest en is opgedragen door Jezus Christus en het is daarmee bij uitstek een pastoraal en barmhartig werk.

Het Slotrapport van de Synode laat ongelukkigerwijs na de hertrouwd gescheidenen het overtuigend bewijs te leveren betreffende hun concrete zonde. Integendeel, onder het voorwendsel van barmhartigheid en van valse gevoel van pastoraal probeerden de Synodevaders, die de formuleringen van de nrs. 84-86 van het rapport hebben gesteund, de geestelijk gevaarlijke toestand van de hertrouwd gescheidenen toe te dekken.

De facto zeggen zij tegen hen dat hun zonde van echtbreuk geen zonde is en dat het vast en zeker geen echtbreuk is of tenminste geen zware zonde en dat er geen geestelijk gevaar bestaat in hun levensstaat. Een dergelijke gedrag van deze herders is regelrecht tegengesteld aan het werk van de Heilige Geest en is daarom anti-pastoraal en een werk van valse profeten op wie men de volgende woorden van de Heilige Schrift kan toepassen: “Wee hun die het kwade goed noemen en het goede kwaad, die van het duister licht maken en van het licht duisternis, van bitter zoet en van zoet bitter.”(Jes. 5, 20) en “De visioenen van uw profeten zijn leugen en bedrog; ze roepen geen schuldbesef op en wenden de rampen niet af; waardeloos en misleidend zijn hun orakels” (Klaagl. 2,14). Tegen zulke bisschoppen zou de apostel Paulus zonder enige twijfel nu zeggen: “Schijnapostelen zijn het, oneerlijke werkers, die zich voordoen als apostelen van Christus”(2 Kor. 11, 13).

De tekst van het Slotrapport van de Synode laat niet alleen na de hertrouwd gescheidenen ondubbelzinnig te overtuigen  van het overspelige en dus zwaar zondige karakter van hun levensstijl. Indirect rechtvaardigt het rapport een dergelijke levensstijl door de kwestie uiteindelijk te verwijzen naar het terrein van het eigen geweten en door een oneigenlijke toepassing van het morele principe van de toerekenbaarheid op de kwestie van het samenwonen van hertrouwd gescheidenen. In feite is de toepassing van het principe van de toerekenbaarheid op bestendig, permanent en publiek leven in overspel oneigenlijk en bedrieglijk.

Een vermindering van subjectieve verantwoordelijkheid bestaat alleen in het geval waarin de partners het vaste voornemen hebben om in volledige onthouding te leven en daar oprechte inspanningen voor doen. Zolang de partners welbedoeld doorgaan met een zondig leven, kan er geen sprake zijn van een opheffing van de toerekenbaarheid. Het Slotrapport geeft de indruk te willen zeggen dat een publieke levenswijze in overspel – zoals het geval is bij burgerlijk hertrouwd gescheidenen – niet de onverbrekelijke sacramentele band van het huwelijk schendt of dat het geen doodzonde of zware zonde is en dat deze kwestie voortaan een zaak van het eigen geweten is. Hier kan men een verder afdrijven constateren naar het protestantse principe van het subjectieve oordeel in zaken van geloof en discipline en een intellectueel dicht naderen tot de valse theorie van de “fundamentele optie”, een theorie die al door het Leergezag veroordeeld is (Vgl. paus Johannes Paulus II, Encycliek Veritatis Splendor 84).

De Herders van de Kerk dienen op geen enkele manier een cultuur van echtscheiding onder de gelovigen te bevorderen. Iedere zweem van toegeven aan de praktijk of de cultuur van echtscheiding dient vermeden te worden. De Kerk als geheel dient een overtuigend en sterk getuigenis te geven van de onontbindbaarheid van het huwelijk. Paus Johannes Paulus II heeft gezegd dat echtscheiding “een kwaad is dat meer en meer de katholieken aantast, net als de anderen en dat dit probleem moet worden aangepakt met beslistheid en zonder uitstel” (Familiaris Consortio 84).

De Kerk moet de hertrouwd gescheidenen met liefde en geduld helpen hun eigen zondigheid te erkennen en hen helpen zich met heel hun hart te bekeren tot God en tot gehoorzaamheid aan zijn heilige wil die uitgedrukt ligt in het zesde gebod. Zolang zij publiek een anti-getuigenis blijven geven van de onontbindbaarheid van het huwelijk en bijdragen aan een cultuur van echtscheiding, kunnen de hertrouwd gescheidenen niet die liturgische, catechetische en institutionele diensten uitoefenen, die uit zichzelf  vragen om een publiek leven in overeenstemming met Gods geboden.

Het is voor iedereen duidelijk dat publieke overtreders van bijv. het vijfde of het zevende gebod, zoals eigenaars van een abortuskliniek of medewerkers aan een corruptienetwerk niet alleen niet de communie kunnen ontvangen maar ook niet kunnen worden toegelaten tot publieke liturgische of catechetische diensten. Op een analoge wijze kunnen publieke overtreders van het zesde gebod, zoals hertrouwd gescheidenen, evenmin worden toegelaten tot het ambt van lector, peetouder of catechist. Natuurlijk moet men een onderscheid maken in de zwaarte van het kwaad veroorzaakt door de levenswijze van publieke verdedigers van abortus en corruptie én het overspelig leven van gescheiden mensen. Men kan hen niet op hetzelfde niveau plaatsen. Het verdedigen van de toelating van hertrouwd gescheidenen tot de taak van peetouders en catechisten beoogt uiteindelijk niet het echte geestelijke welzijn van de kinderen maar blijkt een instrumentalisering te zijn van een bepaalde ideologische agenda. Dit is oneerlijk en een aanfluiting van het instituut peetouder of catechist die door middel van een publieke belofte de taak van opvoeders in het geloof op zich genomen hebben.

In het geval van peetouders en catechisten die gescheiden en hertrouwd zijn, is hun leven voortdurend in tegenspraak met hun woorden en zij worden geconfronteerd met de vermaning van de Heilige Geest bij monde van de apostel Jakobus: “Luister niet alleen naar het woord, maar handel er ook naar; anders bedriegt gij uzelf” (Jak. 1, 22). Helaas pleit het Slotrapport in nr. 84 voor een toelating van de hertrouwd gescheidenen tot liturgische, pastorale en educatieve taken. Een dergelijk voorstel vormt een directe ondersteuning van de cultuur van de echtscheiding en een praktische ontkenning van een objectief zondige leefwijze. Paus Johannes Paulus II daarentegen geeft slechts de volgende mogelijkheden aan om deel te nemen aan het leven van de Kerk die op hun beurt gericht zijn op een werkelijke bekering: “Zij moeten aangemoedigd worden te luisteren naar het woord van God, het offer van de eucharistie bij te wonen, in gebed te volharden, bij te dragen aan de werken van naastenliefde en de inspanningen van de gemeenschap in dienst van de gerechtigheid, hun kinderen op te voeden in het christelijk geloof, de geest en de praktijk van de boete te bevorderen en zo dag na dag Gods genade af te smeken” (Familiaris Consortio 84).

Er moet een heilzaam gebied van uitsluiting blijven (geen toelating tot de sacramenten en de publieke liturgische en catechetische taken) om de gescheidenen te herinneren aan hun werkelijk ernstige en gevaarlijke geestelijke toestand en om tegelijk in hun ziel de houding van nederigheid te bevorderen, van gehoorzaamheid en van verlangen naar een authentieke bekering. Nederigheid betekent moed om de waarheid in te zien en alleen zij die die zich nederig onderwerpen aan God, zullen zijn genadegaven ontvangen.

De gelovigen die nog niet de bereidheid en de wil hebben te stoppen met hun overspelig leven, dient men geestelijk te helpen. Hun geestelijke staat is gelijk aan een soort “catechumenaat” voor het sacrament van boete en verzoening. Zij kunnen het sacrament van de boete, dat in de traditie van de Kerk “het tweede doopsel” of “de tweede boete” werd genoemd, slechts ontvangen als ze serieus breken met de gewoonte van het overspelig samenleven en publiek schandaal vermijden op eenzelfde manier als de catechumenen, de kandidaten voor het doopsel, doen.

Het Slotrapport laat na de hertrouwd gescheidenen op te roepen tot een nederige erkenning van hun objectief zondige staat omdat het nalaat hen te bemoedigen om met een gelovige geest te aanvaarden dat men niet toegelaten wordt tot de sacramenten en tot de publieke liturgische en catechetische taken. Zonder een dergelijke realistische en nederige erkenning van hun eigen geestelijke staat, bestaat er geen werkelijke voortgang naar de authentieke christelijke bekering die in het geval van de hertrouwd gescheidenen bestaat in een leven van volkomen onthouding waarbij men ophoudt te zondigen tegen de heiligheid van het sacrament van het huwelijk en ongehoorzaam te zijn aan het zesde gebod van God.

De Herders van de Kerk en vooral de publieke teksten van het Leergezag dienen op een uiterst heldere wijze te spreken want dit is de wezenlijke karaktertrek van het officiële leergezag. Christus heeft van al zijn leerlingen gevraagd te spreken op een uiterst duidelijke wijze: “Maar uw ja zij ja en uw nee zij nee. Wat daar nog bij komt, is uit den boze” (Mt. 5, 37). Dit geldt des te meer als de Herders van de Kerk preken of als het Leergezag spreekt in een document.

In het gedeelte van de tekst met de nummers 84-86 beantwoordt het Slotrapport niet aan dit goddelijk gebod. Inderdaad pleit de tekst in de genoemde passages niet direct voor de legitimiteit van de toelating van de hertrouwd gescheidenen tot de heilige communie; de tekst vermijdt zelf de uitdrukking “heilige communie” of “sacramenten”. In plaats daarvan gebruikt de tekst door middel van versluierend taalgebruik dubbelzinnige uitdrukkingen als “een vollediger deelname aan het leven van de Kerk” en “onderscheiding en integratie”.

Door dergelijke versluierende tactieken legt het Slotrapport tijdbommen en opent een achterdeur voor toelating van hertrouwd gescheidenen tot de heilige communie en veroorzaakt daarmee een ontheiliging van de twee grote sacramenten van het huwelijk en de eucharistie en levert minstens indirect een bijdrage aan de cultuur van de echtscheiding – aan het verspreiden van de “plaag van de echtscheiding” (Vaticanum II, Gaudium et Spes, 47).

Als je zorgvuldig de dubbelzinnige tekst van de sectie “Onderscheiding en integratie” in het Slotrapport leest, krijgt men de indruk van een uiterst handig uitgewerkte dubbelzinnigheid. Je wordt herinnerd aan de volgende woorden van de H. Ireneüs in zijn “Adversus haereses”: “Hij die onveranderlijk vasthoudt in zijn hart aan de regel van de waarheid die hij door het doopsel heeft ontvangen, zal zonder twijfel de namen, de uitdrukkingen en de parabels erkennen die ontleend zijn aan de Schriften, maar hij zal zeker niet het heiligschennend gebruik ervan erkennen dat deze mannen ervan maken. Want al zal hij de juwelen herkennen, hij zal zeker niet de vos aanzien voor een portret van de koning. ”

Het Slotrapport lijkt de oplossing van de vraag naar de toelating van hertrouwd gescheidenen tot de heilige communie over te laten aan plaatselijke kerkelijke autoriteiten: “begeleiding door de priesters” en “richtlijnen van de bisschop”. Maar dergelijke zaak is echter wezenlijk verbonden met het depositum fidei, dwz met het geopenbaarde woord van God. Het niet toelaten van gescheidenen die in een publieke staat van overspel leven behoort tot de onveranderlijke waarheid van de wet van het katholieke geloof en bijgevolg ook tot de wet van de katholieke liturgische praktijk.

Het Slotrapport lijkt een leerstellige en disciplinaire kakofonie in de katholieke Kerk in te luiden die in tegenspraak is met het wezen zelf van katholiek zijn. Men moet zich de woorden van de heilige Ireneüs herinneren over de authentieke gestalte van de katholieke Kerk in alle tijden en op alle plaatsen: “De Kerk heeft deze prediking van dit geloof ontvangen en hoewel verspreid over heel de wereld, bewaart zij het toch zorgvuldig als of ze slechts in één huis woont. Zij gelooft de punten van de leer als had ze slechts één ziel en een hetzelfde hart. Ze verkondigt ze en leert ze en geeft ze door in een volkomen eensgezindheid, alsof ze slechts één mond had. Want al zijn de talen van de wereld verschillend, toch  is het belang van de traditie overal hetzelfde. Want de Kerken die in Duitsland geplant zijn geloven of geven niets anders door, dat doen ook niet de Kerken van Spanje, van Gallië, van het Oosten, van Egypte, van Lybië of de Kerken die gevestigd zijn in de centrale gebieden van de wereld (Italië). Maar zoals de zon, dat schepsel van God, één en dezelfde is over heel de wereld, zo schijnt ook de prediking van de waarheid overal en verlicht alle mensen die tot de kennis van de waarheid willen komen. Noch zal een van de bestuurders van de Kerken, al mag hij nog zo hoog begaafd zijn in de welsprekendheid, leringen doceren die verschillen van deze (want niemand is groter dan de Meester); noch zal anderzijds hij die niet zo goed kan spreken onrecht doen  aan de Traditie. Want omdat het geloof altijd een en hetzelfde is, voegt niemand, die lange toespraken kan houden, er iets aan toe of doet een ander die maar weinig te zeggen heeft, er iets aan af.” (Adversus Haereses I, 10, 2)

Het Slotrapport laat na in het gedeelte over de hertrouwd gescheidenen om het onveranderlijke principe van heel de katholieke traditie te belijden: dat zij die leven in een ongeldige huwelijkse gemeenschap tot de heilige communie kunnen worden toegelaten onder voorwaarde dat zij beloven te leven in volkomen onthouding en publieke ergernis te vermijden. Johannes Paulus II en Benedictus XVI hebben dit katholieke principe met klem bevestigd. Het opzettelijk nalaten van het vermelden en het bevestigen van dit principe in de tekst van het Slotdocument kan men vergelijken met het systematisch vermijden van de uitdrukking “homoousios”van de kant van de tegenstanders van het dogma van het Concilie van Nicea in de vierde eeuw – de formele Arianen en de zogenaamde semi-Arianen -, die steeds andere uitdrukkingen bedachten om niet direct de wezensgelijkheid van de Zoon van God met God de Vader te hoeven belijden.

Een dergelijke afwijzing van een eerlijke katholieke belijdenis in naam van de meerderheid van het episcopaat in de vierde eeuw veroorzaakte een verhitte kerkelijke activiteit met voortdurende synodale bijeenkomsten en enorme uitbreiding van nieuwe leerstellige formuleringen met als gemeenschappelijke noemer dat ze vermeden terminologisch  helder te zijn, namelijk de term “homoousios” te gebruiken. Op dezelfde manier hebben in onze tijd de twee laatste synodes over het gezin vermeden het principe van heel de katholieke traditie te noemen en duidelijk te belijden, dat namelijk zij die in een ongeldige huwelijkse verbintenis leven alleen tot de heilige communie kunnen worden toegelaten onder voorwaarde dat zij beloven in volkomen onthouding te leven en publieke ergernis te vermijden.

Dit feit wordt ook bewezen door de onmiddellijke en eensluidende reactie van de seculiere media en door de reactie van de belangrijkste voorstanders van de nieuwe on-katholieke prakrijk om hertrouwd gescheidenen tot de heilige communie toe te laten terwijl ze een leven van publiek overspel blijven leiden. Kardinaal Kasper, kardinaal Nichols, aartsbisschop Forte bijvoorbeeld hebben openlijk beweerd dat men volgens het Slotrapport mag aannemen dat er op een of andere manier een deur naar de communie voor hertrouwd gescheidenen geopend is. Er bestaat eveneens een aanzienlijk aantal bisschoppen, priesters en leken die blij zijn met de zogenaamde “geopende deur”  die zij in het Slotrapport gevonden hebben. In plaats van leiding te geven aan de gelovigen in een heldere en ondubbelzinnige leer, heeft het Slotrapport een situatie van verduistering, verwarring, subjectiviteit (het gewetensoordeel van de gescheidenen en het forum internum) en een onkatholiek doctrinair en disciplinair  particularisme veroorzaakt in een zaak die wezenlijk verbonden is met het depositum fidei (de geloofsschat) overgeleverd door de apostelen.

Zij die in onze dagen krachtig de heiligheid van het sacrament van het huwelijk en de eucharistie verdedigen, worden gebrandmerkt als Farizeeën. Toch is, aangezien het logische principe van non-contradictio geldt en het gezond verstand nog steeds functioneert, het omgekeerde waar.

Degenen die de goddelijke waarheid in het Slotrapport verduisteren lijken meer op de Farizeeën. Want om een leven in overspel te verzoenen met het ontvangen van de heilige communie vinden zij handig nieuwe begrippen uit, een nieuwe wet van “onderscheiding en integratie” en voeren nieuwe menselijke overleveringen in tegen het kristalheldere gebod van God. Tot de verdedigers van de “Kasperagenda” richten zich deze woorden van de mens geworden Waarheid: “U ontkracht het woord van God ten gunste van de traditie die u zelf overgeleverd hebt”(Mc. 7, 13). Zij die gedurende 2000 jaar onophoudelijke en met uiterste helderheid hebben gesproken over de onveranderlijkheid van de goddelijke waarheid, dikwijls ten koste van hun eigen leven, zouden in onze dagen ook Farizeeën genoemd worden: dat geldt voor St.-Jan de Doper, St. Paulus, de heilige Ireneüs, de heilige Athanasius, de heilige Basilius, de heilige Thomas More, St. John Fisher, de heilige Pius X, om slechts de meest gloedvolle voorbeelden te noemen.

Het werkelijke resultaat van de Synode in de waarneming van de gelovigen en van de seculiere publieke opinie was dat er praktisch maar één punt was waarop de Synode zich focuste: de kwestie van de toelating van gescheidenen tot de heilige communie. Men kan beweren dat de Synode in zekere zin in de ogen van de publieke opinie meer een Synode van de echtbreuk en dan een Synode van het gezin is geworden. Inderdaad al de mooie uitspraken van het Slotrapport over huwelijk en gezin zijn verduisterd door de dubbelzinnige uitspraken in het gedeelte over hertrouwd gescheidenen, een onderwerp dat al bekrachtigd en beslist is door het leergezag van de laatste pausen in trouwe overeenstemming de tweeduizendjaar oude leer en praktijk van de Kerk. Het is daarom een echte schande dat katholieke bisschoppen, opvolgers van de apostelen, synodevergaderingen gebruiken om een aanslag te plegen op de constante en onveranderlijke leer van de Kerk betreffende de onontbindbaarheid van het huwelijk, dat is het niet toelaten van de gescheidenen, die leven in een overspelige gemeenschap, tot de sacramenten.

In zijn brief aan paus Damasus schilderde de heilige Basilius een realistisch beeld van de leerstelllige verwarring die veroorzaakt werd door geestelijken die lege compromissen zochten en een aanpassing aan de geest van de wereld in zijn tijd: “De tradities zijn buiten spel gezet; de leuzen van de vernieuwers zijn bij de Kerken in zwang; mensen zijn tegenwoordig eerder bedenkers van sluwe systemen dan theologen; de wijsheid van deze wereld wint de hoogste prijzen en heeft de glorie van het kruis verworpen. De ouderen klagen wanneer zij het heden vergelijken met het verleden. We moeten medelijden hebben met de jongeren want zij weten niet wat men van hen afgenomen heeft” (Ep. 90, 2).

In een brief aan paus Damasus en aan de Westerse bisschoppen beschrijft de heilige Basilius de verwarde situatie binnen de Kerk als volgt: “De wetten van de Kerk zijn in de war. De ambitie van mensen, die God niet vrezen, streeft naar hoge posten en een verheven ambt wordt tegenwoordig publiek beschouwd als de beloning voor goddeloosheid. Het resultaat is dat hoe erger een man God lastert hoe beter geschikt hij volgens het volk is om bisschop te worden. Waardig gedrag van geestelijken is verleden tijd. Er bestaat geen juiste kennis van de canones. Er is een volledige vrijbrief om te zondigen. Want als men een positie bereikt heeft door de gunst van mensen, dan zijn ze verplicht de gunst terug te betalen door voortdurende toegeeflijkheid te tonen tegenover overtreders. Een rechtvaardig oordeel is iets uit het verleden; en iedereen wandelt naar de begeerten van zijn hart. Mannen die in gezag gesteld zijn, zijn bang om te spreken want zij die de macht bereikt hebben via menselijk belang, zijn de slaven van hen aan wie zij hun bevordering danken. En nu wordt de verdediging zelf van de orthodoxie in sommige kringen gezien als een gelegenheid om elkaar aan te vallen; en mensen verbergen hun privé rancune en doen alsof hun vijandigheid in dienst staat van de waarheid. Dit alles terwijl de ongelovigen lachen; mensen met een zwak geloof zijn geschokt; het is geloof is onzeker; zielen zijn doordrenkt van onwetendheid omdat de vervalsers van het woord de waarheid na-apen. De betere leken mijden de kerken als scholen van goddeloosheid en heffen met zuchten en tranen hun handen op in de woestijn naar hun Heer in de hemel. Het geloof van de vaderen dat wij hebben ontvangen, dat geloof dat wij kennen is gezegeld met het merkteken van de apostelen; dat geloof beamen wij en alles wat in het verleden canoniek en wettig is afgekondigd” (Ep. 92, 2).

Elke periode van verwarring in de geschiedenis van de Kerk is tegelijk een mogelijkheid om veel genaden van kracht en moed te ontvangen en een kans je liefde te tonen voor Christus, de mens geworden Waarheid. Aan Hem heeft iedere gedoopte en iedere priester en bisschop onverbrekelijke trouw beloofd, iedereen naar zijn eigen levensstaat: door de doopbeloften, door de priesterlijke beloften, door de plechtige belofte bij de bisschopswijding. Inderdaad, iedere kandidaat voor het episcopaat heeft beloofd: “Ik zal zuiver en ongerept de geloofsschat bewaren volgens de traditie die altijd en overal in de Kerk bewaard is.” De dubbelzinnigheid die we vinden in het gedeelte over de hertrouwd gescheidenen in het Slotrapport is in tegenspraak met de boven genoemde plechtige bisschoppelijke gelofte. Desalniettemin zou iedereen in de Kerk – van de eenvoudige gelovige tot de dragers van het leergezag - moeten zeggen:

“Non possumus! Ik wil geen versluierend spreken aanvaarden en ook niet een handig verhulde achterdeur tot de ontheiliging van het sacrament van het huwelijk en de eucharistie. Evenmin wil ik een aanfluiting van het zesde gebod van God aanvaarden. Liever wil ik belachelijk gemaakt worden en vervolgd, liever dan dubbelzinnige teksten en huichelachtige methoden te aanvaarden. Ik geef de voorkeur aan het kristalheldere “beeld van Christus de Waarheid, liever dan aan het beeld van de vos versierd met edelstenen” (de Heilige Ireneüs) want “Ik weet in wie ik heb geloofd”, “Scio, Cui credidi!”(2 Tim. 1, 12)

2 november 2015

+ Athanasius Schneider,
hulpbisschop van het aartsbisdom van de Heilige Maria in Astana

(verschenen in het Engels in Rorate Caeli)





Pastoor C. Mennen
e-mail: info@mennenpr.nl
cui resistite
home

liturgie

getijdengebed
preken
voordrachten

vrijmoedig commentaar

ons geloof

documenten