Pastoor C. Mennen
e-mail: info@mennenpr.nl
cui resistite
home

liturgie

getijdengebed
preken
voordrachten

vrijmoedig commentaar

ons geloof

documenten


Vervolg Verklaring van trouw

V. Met betrekking tot de sacramenten van verzoening en eucharistie

19. Wij herhalen met klem de waarheid dat biechtvaders in hun contact met de biechtelingen hen moeten helpen zichzelf te onderzoeken op de bijzonder plichten van de geboden, hen te helpen voldoende berouw te verwekken en zichzelf ten volle te beschuldigen van zware zonden en hen tevens de raad te geven de weg van de heiligheid op te gaan. Als hij dit doet, is de biechtvader gehouden de biechtelingen te vermanen betreffende objectief zware overtredingen van de wet van God en zich ervan te verzekeren dat zij echt de absolutie en Gods vergeving willen ontvangen en dat zij vastbesloten zijn hun gedrag te herzien en te veranderen. Al is een herhaaldelijke terugval in de zonden op zichzelf geen reden om de absolutie te weigeren, toch kan ze niet gegeven worden zonder voldoende berouw of een vast vaste voornemen de zonde voortaan te mijden.

“De waarheid die voortkomt uit het Woord en naar Hem toe moet leiden legt ons uit waarom de sacramentele belijdenis niet mag voortkomen uit of samen mag gaan met een louter psychologische impuls alsof het sacrament een vervanging was voor psychotherapie maar moet voortkomen uit droefheid die gebaseerd is op bovennatuurlijke motieven, omdat de zonde de liefde tot God geweld aandoet, die het allerhoogste Goed is; omdat het de reden was van het lijden van de Verlosser en de reden is dat wij de eeuwige goederen verliezen…. Ongelukkigerwijs naderen veel gelovigen tegenwoordig tot het sacrament van de boete zonder dat ze zich volledig van alle doodzonden beschuldigen in de zin waarin het Concilie van Trente dit aangegeven heeft. Soms reageren zij op de priester-biechtvader die hen plichtmatig vraagt naar de noodzakelijke volledigheid, alsof hij op een ongepaste manier binnendringt in het heiligdom van het geweten. Ik hoop en bid dat deze onwetende gelovigen ook door dit onderricht ervan overtuigd zullen worden dat de regel die vereist dat men volledig is in aard en getal, voor zover men dat vanuit een eerlijk onderzochte herinnering kan weten, geen last is die hen willekeurig wordt opgelegd maar een middel tot bevrijding en gemoedsrust. Het is ook vanzelfsprekend dat de belijdenis van de zonden de ernstige wil moet inhouden deze in te toekomst niet meer te begaan. Als deze gesteltenis van de ziel ontbreekt, is er echt geen berouw: dit is in feite een zaak van moreel kwaad als zodanig en als je op deze manier geen stelling neemt tegen een mogelijk moreel kwaad, betekent dit dat je het kwaad niet verafschuwt, geen berouw hebt. Maar omdat dit vooral moet voortkomen  uit verdriet om de belediging van God, daarom moet de wil om niet meer te zondigen gebaseerd op de goddelijke genade, die de Heer zeker geeft aan ieder die doet wat hij kan om eerlijk te handelen…. Men zou er ook aan moeten denken dat het aanwezig zijn van oprecht berouw één ding is, het oordeel van het verstand betreffende de toekomst is een tweede; het is inderdaad mogelijk dat iemand ondanks de oprechte wil niet meer te zondigen, bang is opnieuw te vallen door de ervaringen uit het verleden en het besef van menselijke zwakheid; maar dat tast de authenticiteit van de wil niet aan, als die vrees verbonden is met de wil, ondersteund door het gebed, om al het mogelijke te doen om de zonde te vermijden”(Johannes Paulus II, Brief aan de Apostolische Penitentiarie, 22 maart 1996, nrs 3-5).

20. Wij herhalen met klem de waarheid dat gescheiden personen die een burgerlijk huwelijk hebben getracht te sluiten en die niet uit elkaar gaan maar liever in hun objectieve staat van overspel blijven, nooit door biechtvaders of andere zielzorgers beschouwd kunnen worden als levend in een objectieve staat van genade, in staat te groeien in een leven van genade en liefde en gerechtigd de absolutie te ontvangen in het sacrament van de boete of toegelaten te worden tot de heilige eucharistie tenzij zij berouw tonen over hun levensstaat en het vaste voornemen maken deze te verlaten – zelfs al voelen deze gescheiden personen zich subjectief niet schuldig, of tenminste niet volledig schuldig, aan hun objectief zwaar zondige situatie gezien de omstandigheden en verzachtende factoren.

“Ik bedoel bepaalde, vandaag de dag niet zelden voorkomende situaties, waarin christenen zich bevinden die de godsdienstig-sacramentele praktijk zouden willen blijven voortzetten, maar dan ondervinden dat de persoonlijke omstandigheden waarin zij staan daarvoor een belemmering zijn, omdat zij strijdig zijn met de verplichtingen die zij ten overstaan van God en de Kerk in vrijheid op zich hebben genomen……..  En volgens beide elkaar aanvullende beginselen (van meevoelen en trouw aan de waarheid)  kan de Kerk niet anders dan diegene van haar kinderen, die zich in zulke smartelijke omstandigheden bevinden, aan te sporen langs andere wegen toenadering te zoeken tot de goddelijke barmhartigheid, echter niet langs de weg van de sacramenten, met name van het Sacrament van de Boete en de Eucharistie, zolang zij niet aan de voorgeschreven gesteltenissen beantwoorden. Over dit onderwerp, dat ook ons pastorale hart pijn doet, heb ik gemeend enkele duidelijke woorden te moeten zeggen in de apostolische exhortatie over de gemeenschap van het gezin, Familiaris Consortio genaamd, waar het ging over gescheiden mensen die opnieuw trouwen, en over Christenen die op welke wijze dan ook onwettig samenleven” (Johannes Paulus II, Reconcilatio et poenitentia, 2 december 1984, nr. 34).

“Iedere praktijk die de belijdenis beperkt tot een algemene zondebelijdenis of tot één of twee zondes die de belangrijkste geacht worden, moet veroordeeld worden” (Johannes Paulus II, motu proprio Misericordia Dei, 7 april 2002, nr. 3).

“Het is duidelijk dat biechtelingen die in een voortdurende staat van zware zonde leven en die niet van plan zijn hun situatie te veranderen, niet geldig de absolutie kunnen ontvangen” (Jo-hannes Paulus II, motu proprio Misericordia Dei, 7 april 2002, nr. 7 c).

21. Wij herhalen met klem de waarheid dat met betrekking tot gescheiden personen die hebben getracht een burgerlijk huwelijk aan te gaan en openlijk more uxorio (als man en vrouw) leven, geen verantwoorde persoonlijke en pastorale onderscheiding er aanleiding toe kan zijn dat de sacramentele absolutie of de toelating tot de communie wordt toegestaan met de bewering dat er bij verminderde verantwoordelijkheid, geen sprake is van zware zonde. De reden hiervoor is  dat het eventueel (gedeeltelijk) ontbreken van formele schuld nooit een zaak van publieke kennis kan zijn terwijl hun uitwendige levensstaat objectief in tegenspraak is met het onverbreekbare karakter van het christelijk huwelijk en met die eenheid van liefde tussen Christus en zijn Kerk die betekend en bewerkt wordt in de heilige eucharistie.

“De Kerk bevestigt haar praktijk, gebaseerd op de heilige Schrift, de hertrouwde gescheidenen niet tot de communie toe te laten. Zij verhinderen immers zelf dat zij toegelaten worden, aangezien hun levensstaat en situatie objectief in tegenspraak zijn met de liefdesgemeenschap tussen Christus en de Kerk, die in de Eucharistie haar teken en verwerkelijking vindt. Er is bovendien nog een andere, speciaal pastorale reden: als men deze mensen tot de communie toelaat, zullen de gelovigen in dwaling en verwarring gebracht worden omtrent de leer van de Kerk over de onontbindbaarheid van het huwelijk” (Johannes Paulus II, Familiaris Consortio, 22 no-vember 1981, nr. 84).

“Op dit punt werden de laatste jaren in de verschillende streken verscheidene pastorale oplossingen voorgesteld: volgens die oplossingen zou weliswaar een algemene toelating van hertrouwde gescheidenen tot de communie niet mogelijk zijn, maar zij zouden tot de heilige Tafel mogen naderen in bepaalde gevallen, als zij dat volgens hun geweten menen te mogen doen. In het geval bijvoorbeeld dat zij geheel ten onrechte in de steek zijn gelaten, ondanks oprechte pogingen om het eerste huwelijk te redden, of in het geval dat ze overtuigd zijn van de ongeldigheid van het eerste huwelijk zonder dat voor de buitenwereld te kunnen bewijzen, of als ze al een lange weg van bezinning en boete hebben afgelegd, of ook als ze om ernstige morele redenen de verplichting om uit elkaar te gaan niet kunnen nakomen. Volgens bepaalde opvattingen zouden die hertrouwde gescheidenen een gesprek moeten aangaan met een wijs en ervaren priester om tot een objectief oordeel over hun daadwerkelijke situatie te komen. Die priester zou echter hun eventuele gewetensbeslissing om de eucharistie te ontvangen moeten respecteren, zonder dat dit een officiële goedkeuring zou betekenen. In dit geval en in andere dergelijke gevallen zou het om een tolerante en welwillende pastorale oplossing gaan die recht probeert te doen aan de verschillende situaties van hertrouwde gescheidenen. Hoewel bekend is dat dergelijke pastorale oplossingen door sommige kerkvaders zijn voorgesteld en tot op zekere hoogte ook in de praktijk zijn toegepast, werden ze nooit eenstemmig door alle vaders aanvaard en hebben ze op geen enkele wijze de gemeenschappelijke leer van de kerk gevormd of de kerkelijke discipline bepaald. …… Trouw aan Jezus' woord bevestigt de Kerk dat zij een nieuwe verbintenis niet als geldig kan erkennen, als het vorige huwelijk geldig was. Als uit de echt gescheiden personen een nieuw burgerlijk huwelijk zijn aangegaan, bevinden zij zich in een situatie die objectief tegen Gods wet ingaat. Zolang die situatie duurt, mogen zij daarom niet te communie gaan” (Congregatie van de Geloofsleer, Brief aan de bisschoppen van de ka-tholieke Kerk betreffende het ontvangen van de heilige communie door gescheiden en her-trouwde leden van het gelovige volk, 14 september 1994, nrs 3-4).

“Het lichaam van Christus ontvangen terwijl men publiek onwaardig is betekent een objectieve schade voor de kerkelijke gemeenschap: het is een gedrag dat een aanval doet op de rechten van de Kerk en van alle gelovigen om te leven volgens de vereisten van deze gemeenschap. In het concrete geval van de toelating tot de Heilige Communie van gescheiden en hertrouwde gelovigen, betreft de ergernis, begrepen als een actie die anderen aanzet tot het kwaad, tegelijk het sacrament van de Eucharistie en de onverbreekbaarheid van het huwelijk. Deze ergernis bestaat nog zelfs indien, ongelukkigerwijs, zulk een gedrag niet meer verbaast: integendeel het is precies tegenover de misvorming van de gewetens dat het des te meer noodzakelijk is dat de pastores met even veel geduld als vastberadenheid handelen om de heiligheid van de Sacramenten te beschermen, om de christelijke moraal te verdedigen en om de  gelovigen op de juiste wijze te vormen” (Pauselijke Raad voor de Wetsteksten, Verklaring betreffende de toelating tot de heilige communie, 24 juni 2000, nr. 1)

22. Wij herhalen met klem de waarheid dat subjectieve zekerheid in geweten betreffende de ongeldigheid van een vorig huwelijk bij gescheiden personen die hebben getracht een burgerlijk huwelijk aan te gaan (hoewel de Kerk het vorige huwelijk nog steeds als geldig ziet) op zichzelf nooit voldoende is iemand te verontschuldigen voor de materiële zonde van overspel of hem toe te staan een canonieke beoordeling en de sacramentele consequenties van het leven als een publieke zondaar te negeren.

“De onjuiste opvatting van hertrouwde gescheidenen dat ze te Communie mogen gaan, vooronderstelt normaal gesproken dat men aan het persoonlijk geweten de macht toeschrijft om in laatste instantie op grond van de eigen overtuiging te oordelen over het al dan niet bestaan van het vorig huwelijk en over de waarde van de nieuwe verbintenis (vgl. Encycliek Veritatis Splendor, 55). Een dergelijke opvatting is echter onaanvaardbaar (Wetboek van Kerkelijk Recht, c. 1085 § 2). Als beeld van de bruidsverhouding tussen Christus en zijn Kerk, en als oercel en belangrijk element van de burgerlijke samenleving, is het huwelijk immers wezenlijk een openbare aangelegenheid. …… Daarom heeft het gewetensoordeel over de eigen huwelijkssituatie niet enkel te maken met de directe relatie tussen de mens en God, alsof men het zou kunnen stellen zonder de kerkelijke bemiddeling die ook de in geweten bindende canonieke normen insluit. Dit wezenlijke aspect over het hoofd zien zou erop neerkomen dat men het bestaan van het huwelijk als kerkelijke realiteit, dat wil zeggen als Sacrament, wordt ontkend” (Congregatie van de Geloofsleer, Brief aan de bisschoppen van de katholieke Kerk betreffende het ontvangen van de heilige communie door gescheiden en hertrouwde leden van het gelovige volk, 14 september 1994, nrs 7-8).

23. Wij herhalen met klem de waarheid dat “Doopsel en Boete als reinigende medicijnen, toegediend worden om de koorts van de zonde weg te nemen, terwijl dit sacrament (de heilige eucharistie) een medicijn is dat gegeven wordt om te sterken en het mag alleen gegeven worden aan hen die de zonde achter zich gelaten hebben” (H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, III, q 80, a.4. ad 2). Zij die de heilige eucharistie ontvangen, hebben werkelijk deel aan het Lichaam en Bloed van Christus en moeten waardig zijn dat te doen door in staat van genade te zijn. Gescheiden personen die getracht hebben een burgerlijk huwelijk aan te gaan, en daarom een objectief en publiek zondig leven leiden, lopen gevaar heiligschennis te plegen als zij de heilige communie ontvangen. Voor hen zou de heilige communie geen geneesmiddel zijn maar een geestelijk vergif. Als een celebrant akkoord gaat met hun onwaardige communie, gelooft hij ofwel niet in de werkelijke tegenwoordigheid van Christus ofwel in de onontbindbaarheid van het huwelijk, ofwel in de zondigheid van het leven more uxorio (als man en vrouw) buiten een geldig huwelijk.

“Wij moeten opnieuw beseffen dat de eucharistie niet is ingesteld om doodzonden te vergeven – dat is eigen aan het sacrament van verzoening. De eucharistie is juist het sacrament van hen die in volle gemeenschap met de Kerk staan” (Heilige Congregatie voor de liturgie en de regeling van de sacramenten, Rondzendbrief over de volheid van het sacrament van de Boete, 20 maart 2000, nr. 9).

“Het beletsel dat de genoemde canon veroorzaakt, komt van nature voort uit de goddelijke wet en overstijgt de context van de positieve kerkelijke wetten: deze kunnen geen wetgevende veranderingen invoeren die in tegenstelling zijn met de leer van de Kerk. De tekst van de Schrift waaraan de kerkelijke traditie onophoudelijk refereert is deze van Sint-Paulus: ‘Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker van de Heer drinkt, bezondigt zich aan het lichaam en bloed des Heren. Wij moeten onszelf onderzoeken, voor we van het brood eten en uit de beker drinken. Wie eet en drinkt zonder het lichaam des Heren te onderkennen, eet en drinkt zijn eigen vonnis.’ (1 Kor. 11, 27-29) ……… Elke interpretatie van canon 915  die zich richt tegen de wezenlijke inhoud van de canon, zoals die zonder onderbreking door het Leergezag en door de discipline van de Kerk in de loop der eeuwen is verklaard, is duidelijk misleidend. Men mag niet respect voor de woorden (vgl. c. 17) van de wet  verwarren met het oneigenlijk gebruik van dezelfde woorden als instrumenten om de voorschriften te relativeren of te ontdoen van hun wezenlijke inhoud.
De zin "en anderen die halsstarrig volharden in een zware zonde die bekend is" is duidelijk en moet worden begrepen op een wijze die de betekenis ervan niet vervormt om de norm niet van toepassing te verklaren. De drie volgende voorwaarden zijn vereist:  a. zware zonde, objectief begrepen, omdat over de subjectieve toerekenbaarheid de bedienaar van de communie niet kan oordelen; b. het halsstarrig volharden, wat betekent dat er een objectieve situatie van zonde bestaat die voortduurt in de tijd en waaraan de wil van de gelovigen geen einde maakt. Andere voorwaarden zijn daarbij niet vereist (uitdagend gedrag, voorafgaande waarschuwing enz.) om de situatie vanuit kerkelijk oogpunt fundamenteel zwaar te doen zijn; c. het openbaar karakter van de situatie van voortdurende zware zonde.
Daarentegen zijn niet in een situatie van gewone zware zonde de gescheiden en hertrouwde gelovigen, die om ernstige redenen, zoals bijvoorbeeld de opvoeding van de kinderen, niet kunnen ‘voldoen aan de verplichting van te scheiden en die zich engageren om te leven in volledige onthouding, d.w.z. om zich te onthouden van handelingen die eigen zijn aan gehuwden’ (Familiaris Consortio, nr. 84)  en die op basis van zulk een beslissing het sacrament van de boete hebben ontvangen. Omdat het feit dat deze gelovigen niet leven op de wijze van gehuwden per se verborgen is, terwijl hun conditie als personen die gescheiden en hertrouwd zijn, per se open-baar is, zouden dezen alleen te communie mogen gaan remoto  scandalo ……. Wanneer nochtans situaties zich zouden voordoen waarin deze voorzorgen geen effect hebben gehad of niet mogelijk waren, moet de bedienaar van de Communie weigeren de Communie te geven aan wie publiek onwaardig is. Zij moeten dat doen met grote  liefde en uitzien naar een gunstig moment om de redenen uit te leg-gen die hem tot de weigering gedwongen hebben. Toch moet hij het ook doen met vastbeslotenheid, bewust van de waarde die deze krachtige tekenen hebben voor het welzijn van de Kerk en van de zielen……   Rekening houdend met de natuur van de hierboven geciteerde norm kan geen enkele kerkelijke autoriteit de bedienaar van de heilige communie ooit dispenseren van deze verplichting, noch besluiten uitvaardigen die ertegen in gaan” (Pauselijke Raad voor de Wetsteksten, Verklaring betreffende de toelating tot de heilige communie, 24 juni 2000, nr. 1-4).

24. Wij herhalen met klem de waarheid dat volgens de logica van het evangelie mensen die in staat van doodzonde sterven, niet verzoend met God, voor altijd veroordeeld worden tot de hel. In de evangelies spreekt Jezus herhaaldelijk over het gevaar van de eeuwige verdoemenis.

“Als [de katholieke gelovigen] bovendien niet beantwoorden aan die genade in gedachte, woord en daad, dan zullen niet alleen niet gered worden maar zij zullen zwaarder worden geoordeeld” (II Vaticanum, Lumen gentium, 21 november 1964, nr. 14)

“De doodzonde is een radicale mogelijkheid van de menselijke vrijheid zoals de liefde zelf. Ze brengt het verlies mee van de liefde en van de heiligmakende genade, dit wil zeggen van de staat van genade. Wanneer ze niet vrijgekocht wordt door het berouw en de vergiffenis van God, dan veroorzaakt de doodzonde de uitsluiting uit het koninkrijk van Christus en de eeuwige dood van de hel, want onze vrijheid heeft de macht keuzes te maken voor altijd, onomkeerbare keuzes. Ook al kunnen wij oordelen dat een daad op zichzelf een zware fout is, het oordeel over personen moeten wij overlaten aan de rechtvaardigheid en de barmhartigheid van God” (Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 1861).

VI. Met betrekking tot de moederlijke en pastorale zorg van de Kerk

25. Wij herhalen met klem de waarheid dat het duidelijk leren van de waarheid  een uitstekend werk van barmhartigheid en naastenliefde is, om dat de eerste reddende taak van de apostelen en hun opvolgers is te gehoorzamen aan het plechtige gebod van de Heiland: “Ga en maak alle volkeren tot mijn leerlingen… en leert hen te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb” (Mt. 28, 19-20).

“De katholieke leer vertelt ons dat de eerste plicht van naastenliefde niet ligt in het tolereren van foutieve ideeën, hoe oprecht die ook mogen zijnen; ook niet in de theoretische of praktische onverschilligheid tegen dwalingen en ondeugden waarin we onze broeders en zusters in ondergedompeld zien, maar in de ijver voor hun intellectuele en morele verbetering alsook voor een hun materieel welzijn….. Elke ander soort liefde is pure illusie, onvruchtbaar en voorbijgaand” (Pius X, Encycliek Notre charge apostolique, 15 augustus 1910).

“De Kerk is altijd dezelfde en zij blijft onveranderlijk volgens de wil van Christus en de ware traditie die haar vervolmaakt heeft” (Paulus VI, Homilie, 28 oktober 1965)

“Waar het evenwel een zeer verheven vorm van liefde jegens de mensen is om in niets afbreuk te doen aan Christus' heilzame leer, dient dit toch steeds vergezeld te gaan van het geduld en de naastenliefde waarvan de Heer zelf in zijn spreken en handelen met de mensen het voorbeeld heeft gegeven. Niet gekomen om de wereld te veroordelen maar om haar te redden, is Hij onverzoenlijk geweest jegens de zonden, maar geduldig en barmhartig jegens de zondaars” (Paulus VI, Encycliek Humane Vitae, 25 juli 1968, nr. 29).

“De leer van de Kerk en vooral haar standvastigheid in de verdediging van de universele en blijvende geldigheid van de zedelijke geboden die intrinsiek slechte handelingen verbieden, worden niet zelden als teken van een onverdraaglijk onverzettelijkheid bekritiseerd, vooral als het gaat om zeer complexe en conflictrijke situaties zoals die tegenwoordig voorkomen in het leven van het individu en van de maatschappij: deze onverzettelijkheid zou strijdig zijn met het moederschap van de Kerk.  De Kerk zou het, zo zegt men, aan begrip en barmhartigheid ontbreken. Maar in feite kan het moederschap van de Kerk nooit gescheiden worden van haar opdracht tot onderwijzen, die ze steeds moet uitvoeren als de trouwe bruid van Christus, die de Waarheid in Persoon is. "Als lerares wordt ze nooit moe de morele norm te verkondigen…... Deze norm is niet door de Kerk geschapen en niet overgelaten aan haar willekeur. In gehoorzaamheid aan de waarheid, die Christus is, wiens beeld zich in de natuur en in de waarde van de menselijke persoon weerspiegelt, interpreteert de Kerk de zedelijke norm en houdt haar voor aan alle mensen van goede wil zonder de eisen van radicaliteit en volmaaktheid ervan te verbergen’"  (Johannes Paulus II, Encycliek Veritatis Splendor, 6 augustus 1993, nr. 95).

26. Wij herhalen met klem de waarheid dat de onmogelijkheid om de absolutie en de heilige communie te geven aan katholieken die publiek in een objectieve staat van zware zonde leven, zoals mensen die samenwonen of hertrouw gescheidenen voortkomt uit de moederlijke zorg van de Kerk omdat zij niet de eigenares is van de sacramenten maar veeleer de “trouwe beheerster van Gods geheimen” (1 Kor. 4, 1).

“Als leraren en behoeders van de heilzame waarheid aangaande de Eucharistie, dienen wij deze betekenis en dimensie van de sacramentele ontmoeting en intimiteit met Christus altijd en overal te bewaren…… Maar wij zullen ons er steeds voor dienen te hoeden dat deze verheven ontmoeting met Christus in de Eucharistie niet verwordt tot een oppervlakkige gewoonte, en dat wij Hem niet onwaardig ontvangen, dat wil zeggen: niet met een zware zonde belast……. Geen moment mogen wij vergeten dat de Eucharistie een bijzonder goed is van de universele kerk. Het is zelfs op het vlak van de genade en de sacramenten het grootste geschenk dat de goddelijke Bruidegom zijn bruid geschonken heeft en haar nog aanhoudend blijft schenken. Maar juist omdat het om een dergelijke en zo grote gave gaat, moeten wij ons hierin vanuit een diep geloof door een waarachtig christelijk besef van onze verantwoordelijkheden laten leiden……. De Eucharistie is een gemeenschappelijk goed van heel de kerk, want zij is het sacrament van haar eenheid. Op de kerk rust dan ook de strenge plicht om alles vast te stellen wat betrekking heeft op de viering van de Eucharistie en op de deelneming eraan” (Johannes Paulus II, brief Dominicae Cenae, 24 februari 1980. nrs. 4-14).

“Dat betekent echter niet dat de situatie van deze gelovigen, die overigens niet van de kerkelijke gemeenschap worden uitgesloten, de Kerk niet ter harte gaat. De Kerk draagt zorg voor hun pastorale begeleiding en nodigt hen uit deel te nemen aan het kerkelijk leven voor zover dat verenigbaar is met de voorschriften van het goddelijk recht, waarvan de Kerk niet kan dispenseren” (Congregatie van de Geloofsleer, Brief aan de bisschoppen van de katholieke Kerk betreffende het ontvangen van de heilige communie door gescheiden en hertrouwde leden van het gelovige volk, 14 september 1994, nr 6).

“In het pastorale werk moet alles in het werk gesteld worden om duidelijk te maken dat het hier niet om discriminatie gaat maar enkel om absolute trouw aan de wil van Christus die ons de onverbreekbaarheid van het huwelijk opnieuw als gave van de Schepper heeft gegeven en toevertrouwd. Het mee lijden en de liefde van de herders en de gemeenschap van de gelovigen in solidariteit met de betrokken personen is onontbeerlijk, opdat zij ook in hun moeilijke situatie kunnen gewaarworden dat het juk van Jezus zacht is en zijn last licht. Hun last is niet zacht en licht omdat hij klein en onbeduidend is, maar hij wordt licht omdat de Heer - en heel de Kerk met Hem - die last mede draagt. Het is de opdracht van de pastoraal om deze hulp, die zowel in de waarheid als in de liefde wortelt, vol overgave te bieden” ” (Congregatie van de Geloofsleer, Brief aan de bisschoppen van de katholieke Kerk betreffende het ontvangen van de heilige communie door gescheiden en hertrouwde leden van het gelovige volk, 14 september 1994, nr 10).

“De viering van het Boetesacrament heeft in de loop van de eeuwen een ontwikkeling doorgemaakt, die verschillende vormen heeft gekend, waarbij echter de basis steeds bewaard gebleven is. Naast de handeling van de biechtvader - deze is immers een bisschop of priester, die in de naam van Jezus Christus recht spreekt, vrijspreekt, geneest en gezond maakt - bestaat deze noodzakelijkerwijs uit de daden van de boeteling: berouw, belijdenis en voldoening” (Johannes Paulus II, motu proprio Misericordia Dei, 7 april 2002, voorwoord).

VII. Met betrekking tot universele geldigheid van het constante leergezag van de Kerk

27. Wij herhalen met klem dat de leerstellige, morele en pastorale kwesties betreffende de sacramenten van de eucharistie, de boete en het huwelijk opgelost moeten worden door tussenkomst van het Leergezag en dat deze interventies uiteraard interpretaties die tegengesteld zijn aan die leer uitsluiten en ook het trekken van verschillende praktische conclusies omdat dat beter zou aansluiten bij de cultuur, het gevoel voor traditie en de lokale behoeften van ieder land of iedere streek.

“Het onderliggend principe van deze nieuwe meningen is dat de Kerk haar leer zou moeten aanpassen aan de geest van de tijd en iets van haar oude gestrengheid zou moeten versoepelen en wat concessies zou moeten doen aan de nieuwe meningen om gemakkelijker die mensen aan te trekken die van haar afwijken. Vele denken dat men deze concessies niet alleen moet doen met betrekking tot bepaalde levenswijzen maar zelfs met betrekkingen tot leerstellingen die tot het depositum fidei (het geloofsgoed) behoren. Zij beweren dat het gunstig zou zijn, om hen die van ons verschillen, te winnen, bepaalde punten van haar leer die van minder belang zijn, achterwege te laten en de betekenis af te zwakken die de Kerk er altijd aan gehecht heeft. Er zijn niet veel woorden nodig, geliefde zoon, om de valsheid van deze ideeën aan te tonen als je de natuur en de oorsprong van de kerkelijke leer in herinnering roept. Het Vaticaans Concilie (Constitutio de Fide Catholica, cap. IV) zegt over dit punt: ‘Want de geloofsleer die God heeft geopenbaard, wordt niet naar voren gebracht als een filosofische vinding die door menselijk vernuft nog geperfectioneerd moet worden, maar ze is gegeven als een goddelijke schat aan de Bruid van Christus. Zij dient die trouw te bewaren en onfeilbaar te verkondigen. Van de betekenis ervan mag nooit worden afgeweken onder het voorwendsel of de dekmantel van een dieper begrijpen ervan.’” (Leo XIII, Encycliek Testem benevolentiae, 22 januari 1899).

“Een van de eerste plichten van het Apostolisch ambt is het afkeuren en veroordelen van dwaalleren en in verzet te komen tegen burgerlijke wetten die in strijd zijn met de wet van God, en zo de mensheid te behoeden voor zelfvernietiging” (Pius X, Toespraak in het consistorie, 9 november 1903).

“De Kerk, ‘pijler en grondslag van de waarheid’ heeft van de apostelen het plechtig gebod van Christus ontvangen om de heilswaarheid te verkondigen". Het komt de Kerk toe overal en altijd de morele beginselen, ook met betrekking tot de sociale ordening, voor te houden en een oordeel uit te spreken over welke menselijke aangelegenheden ook, voor zover de grondrechten van de menselijke persoon of het geestelijk heil van de mensen dit vereisen" (Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2032).

“Het is van het allergrootste belang dat in de moraaltheologie en in de dogmatische theologie iedereen het leergezag van de Kerk gehoorzaamt en spreekt met één stem” (Paulus VI, Encycliek Humanae Vitae, 25 juli 1968, nr. 28).

“Het komt het universeel leergezag toe om, trouw aan de Heilige Schrift en de Traditie, authentiek het depositum fidei te doceren en uit te leggen. Met respect voor de hiervoor genoemde nieuwe pastorale voorstellen, beschouwt de Congregatie zichzelf verplicht de leer en de discipline van de Kerk in deze zaak in herinnering te roepen” (Congregatie van de Geloofsleer, Brief aan de bisschoppen van de katholieke Kerk betreffende het ontvangen van de heilige communie door gescheiden en hertrouwde leden van het gelovige volk, 14 september 1994, nr 4).

VIII. De altijd jeugdige stem van de Kerkvaders

“Het gebeurt dat [de herders van de zielen], terwijl zij er behagen in scheppen op te gaan in werelds tumult, onbekend zijn met de innerlijke dingen die zij anderen geleerd zouden moeten hebben. Dat is ongetwijfeld de oorzaak dat het leven van hun onderdanen is ingedut…. Want als het hoofd wegkwijnt, kunnen de ledematen niet bloeien; en een leger achtervolgt tevergeefs de vijand, als de marsleider verkeerd loopt. Geen enkele aansporing geeft steun aan de geest van de onderdanen en geen berisping straft hun fouten af…. De onderdanen zijn niet staat het licht van de waarheid te vatten, terwijl aardse bekommernissen de geest van de pastor bezig houden; stof gejaagd door de wind van de bekoring verblindt de ogen van de Kerk” (H. Gregorius de Grote, Regula pastoralis, II, 7).

“Zelfs wanneer er volgens de wet van de Kerk voldoende reden is de boete te ondergaan, wordt zij dikwijls ontweken uit zwakheid; schandalig is de vrees om het plezier te verliezen, als de goede mening van mensen meer plezier brengt dan rechtschapenheid die de mens ertoe brengt zich te vernederen in boetedoening. Daarom is Gods genade niet alleen nodig als iemand berouw heeft maar ook om hem tot berouw te brengen” (H. Augustinus, Enchiridion de fide, spe et caritate, 82).

“Boetvaardigheid is de vernieuwing van het doopsel. Boetvaardigheid is een contract met God voor een tweede leven. Een boeteling is een koper van nederigheid. Boetvaardigheid een nadenken waarin men zichzelf veroordeelt, en zorgeloze zorg voor zichzelf. Boetvaardigheid is de dochter van de hoop en de afzwering van de wanhoop. Een boeteling is een niet in ongenade gevallen veroordeelde. Boetvaardig-heid is verzoening met de Heer door praktijk van goede daden die tegengesteld zijn aan de zonden. Boetvaardigheid is de reiniging van het geweten. Boetvaardigheid richt de gevallen op, de rouw die aan de hemelpoort klopt en de heilige nederigheid die haar opent”(H. Johannes Climacus, Scala paradisi, 25).

Besluit

Terwijl de neo-pagane wereld een algemene aanval op het goddelijk instituut van het  huwelijk doet en de plaag van echtscheiding en seksuele zedeloosheid overal verspreid is, zelfs in het leven van de Kerk, beschouwen wij, ondertekenende bisschoppen, priesters en katholieke gelovigen het als onze plicht en ons voorrecht met één stem onze trouw te betuigen aan de onveranderlijke leer van de Kerk rond het huwelijk en aan haar ononderbroken discipline zoals die van de Apostelen ontvangen is. Inderdaad, alleen de helderheid van de waarheid zal mensen vrijmaken (Joh. 8, 32) en hen in staat stellen de ware vreugde van de liefde te vinden door een leven in overeenstemming met de wijze en reddende wil van God, met andere woorden, door de zonde te vermijden zoals dat op moederlijke wijze werd gevraagd door Onze Lieve Vrouw in Fatima in 1917.

29 augustus 2016, Feest van St.-Jans Onthoofding  (gemarteld omdat hij vasthield aan de waarheid rond het huwelijk)