Schoenmaker, blijf bij je leest




Ik ken Ben Hoffschulte niet maar hij is ongetwijfeld een rechtschapen katholiek en een deskundig rechtsfilosoof. In het Katholiek Nieuwsblad van 12 augustus 2016 vliegt hij, als hij zich op liturgisch terrein begeeft, echter behoorlijk uit de bocht. Daar geeft hij blijk van zo weinig kennis van zaken dat hij beter had gezwegen. Omdat veel lezers van het KN misschien zouden kunnen denken dat een geleerd iemand (rechtsfilosoof te Leuven) altijd en overal geleerde en ware dingen zegt, voel ik mij geroepen deze zeepbel door te prikken.

Allereerst de titel: “In Personam Christi”. Ja, het staat er echt”! Maar “in personam Christi” zou betekenen “naar de persoon van Christus toe”. En dat is volgens de geleerde heer niet zijn bedoeling. Hij bedoelt “in Persona Christi” en dat betekent dat de priester op bepaalde momenten in de liturgie handelt “in de persoon van Christus”. Als je zelfs het Latijn voor beginners niet beheerst, dan kun je het maar beter helemaal niet gebruiken, zou ik denken.

Merkwaardig is ook dat schrijver het liturgisch bidden verwart met het spreken van Jezus: “…. verbaas ik mij over de priester die allerlei teksten prevelt, inderdaad ad orientem, maar toch niet op de wijze waarop Jezus zijn gehoor heeft toegesproken.” Er is in het evangelie wel degelijk een verschil tussen Jezus die bidt en Jezus die de mensen toespreekt. Of zou schrijver denken dat de priester die celebreert versus populum, in zijn gebeden de mensen toespreekt? Dan zijn we precies bij het belangrijkste bezwaar van mis versus populum. Kardinaal Ratzinger heeft in zijn bekende boek “De geest van de liturgie” gewaarschuwd voor het feit dat bij de nieuwe liturgie waarin priester en gelovigen elkaar aankijken het gevaar bestaat van een mensgerichte liturgie in plaats van een liturgie die wezenlijk op God gericht hoort te zijn. Het lijkt meer een gesloten mensenkring te zijn dan een gemeenschap die zich op God richt. En inderdaad lijkt het er vaak op alsof de priester de gebeden (zo mooi mogelijk) tot de mensen zegt. Televisiecamera’s registreren dit soms genadeloos.

De gebedsoriëntatie in de Kerk is zeer oud. In de laatste jaren zijn hier gedegen studies, ook in het Nederlands, over verschenen. Ik noem hier “Conversi ad Dominum”, van Uwe Michael Lang, verkrijgbaar bij de Vereniging voor Latijnse Liturgie en “Bidden naar het Oosten” van Johan te Velde. Men bad en celebreerde van ouids her naar het Oosten omdat in het Oosten het licht dat Christus is, is opgegaan en omdat wij in iedere eucharistie hoopvol uitzien naar zijn wederkomst, die altijd vanuit het Oosten werd verwacht. Daarmee ontstijgt de liturgie het hier en nu en richt zich op definitieve, het toekomstige. Die band met de hemelse liturgie wordt in de Oosterse kerken uitgedrukt in het feit dat het heilige zich voltrekt achter de gesloten deuren van de iconostase, niet direct zichtbaar voor de gelovigen. Al is die kosmische dimensie avnde gebedsoosting bij de gelovigen tegenwoordig minder levend, dan is het toch zinvol je bij het gebed af te keren van je medegelovigen en je symbolisch te richten op God. De kerkvader Augustinus was gewend bij het begin van de eucharistische liturgie uit te roepen: laten wij bidden “conversi ad Dominum”, gericht op de Heer. En dan keerde men zich naar het Oosten. Laten we bovendien niet vergeten dat deze zeer oude traditie nog steeds in alle Kerken van het Oosten gebruikelijk is. Laten we ook niet vergeten dat niet het Concilie de celebratierichting heeft veranderd maar dat dit door sommige nieuwlichters is gebeurd en een bescheiden plaats als mogelijkheid in het nieuwe missaal heeft gekregen. Het missaal gaat er in de rubrieken ook nu nog steeds vanuit dat de priester “ad Dominum” staat. Immers bij het “Bidt, broeders” en bij de vredeswens  en het “zie het Lam Gods” staat in de rubrieken dat de priester zich naar het volk moet keren, hetgeen onzin/overbodig is als hij richting volk celebreert. De geschiedenis zou wel eens kunnen uitwijzen dat het toestaan van de viering “versus populum” een  (in de geschidenis korte) liturgische vergissing is geweest zoals in de vroegere liturgie de heilige Mis bij uitgesteld Allerheiligste.

De grote verdienste van de liturgievernieuwing – en die was al vóór Vaticanum II aan de gang – is dat de gelovigen meer betrokken worden bij de viering. Zij spelen een duidelijk eigen rol in de viering en nemen er veel duidelijker, zeker uitwendig, aan deel. Vroeger waren de activiteiten in de liturgie gescheiden. De clerus speelde de voornaamste rol en deed eigenlijk alles. Daarnaast zong het koor in een gezongen viering zijn eigen gedeeltes, die overigens de priester ook nog apart bad. Daarnaast namen de gelovigen via hun eigen wijze deel. Ik heb op het kleinseminarie van de latere bisschop Bluysen nog geleerd hoe je op een goede manier de mis kon volgen: via het meebidden in het missaal, maar ook door de kruisweg te overwegen of het rozenhoedje te bidden als je daarbij maar de belangrijkste momenten van de Mis betrok.

Door meer de nadruk te leggen op de ene viering van de ene gemeenschap waarin iedereen zijn eigen rol vervult, krijgt de concelebratie opnieuw aandacht en lijkt het minder zinvol tijdens de gemeenschapsmis nog aparte missen aan een zijaltaar te lezen. Dat zijn accentverschuivingen die zeker plaats hebben gehad.

Maar ook in de vroegere private missen was het gemeenschapskarakter nog steeds aanwezig in het verbod om, zonder ernstige noodzaak mis te lezen zonder misdienaar. De misdienaar vertegenwoordigde de gemeenschap waarvoor de Mis werd opgedragen. Auteur noemt de private mis “curieuze gebruiken” en vindt dat er “geen sprake kan zijn van herstel ervan”. Ik kan hem echter meedelen dat private missen ook nu nog steeds zijn toegestaan onder de voorwaarde dat er één gelovige aanwezig is. De uitdrukking van schrijver “zonder publiek” duidt op een merkwaardige opvatting omtrent de aanwezige gelovigen.

Wat vroeger in de riten en gebeden meer de nadruk kreeg was het offer- en het mysteriekarakter van de Mis. Het is niet toevallig dat dit in veel vieringen verdwenen is. Als je de riten die het mysterie- en offerkarakter uitdrukken, minimaliseert of in experimentele vieringen helemaal laat verdwijnen, moet je je er niet over verbazen dat de toevallige bezoeker niet meer een sacrale sfeer proeft noch het besef heeft met een offer te maken te hebben. Het vieren “ad Dominum”, het geknield communiceren op de tong, het herstel van de knielbank, het zijn allemaal middelen om het wezen van de eucharistie opnieuw duidelijker in het licht te stellen. Dat is de bekommernis van kardinaal Sarah die gezien heeft hoe de eerbied en daarmee het geloof teloor ging. Hij vraagt dus de priesters ad Dominum te celebreren – iets wat nog steeds gewoon is toegestaan – om het geloof van de mensen te verdiepen en God de eer te geven die Hem toekomt. Hij verandert dus geen enkel reglement. Hij vraagt alleen op een bepaalde manier van de huidige regeling gebruik te maken.

Schrijver beklaagt er zich over dat het kerkvolk overgeleverd zou zijn aan de grillen van kardinalen die steeds de celebratierichting veranderen. Hij vergeet hierbij dat kardinaal Sarah de hoogste autoriteit op het gebied van de liturgie is, door deze paus zelf benoemd en gerechtigd na overleg met de paus veranderingen door te voeren. maar nogmaals: zijn oproep betekent geen verandering van regels.

De geleerde auteur blijkt tenslotte iets tegen kardinalen in het algemeen te hebben. Hij wil de pauskeuze aan de aartsbisschoppen overlaten. Dat wordt dan wel een groot college. En dan een opmerking die ik totaal niet begrijp: “Het sierlijke kardinalaat is de expressie bij uitstek van het papalistisch centralisme, dat het grootste struikelblok is in oecumenische relaties”. Maar een klein gedeelte van de kardinalen zijn curiekardinalen. Bovendien zijn de meeste curiekardinalen eerst lange tijd diocesaan bisschop geweest (zoals kardinaal Sarah). De spreiding van de kardinalen over heel de wereld is nog nooit zo groot geweest.

Dat het grootste struikelblok voor de oecumene het pausschap zou zijn, mag dan gedeeltelijk gelden voor de orthodoxie maar in de oecumene met de protestanten en de Anglicanen zijn het ambt en de daarmee verbonden sacramenten zoals de eucharistie een veel groter struikelblok.

Nog minder begrijp ik van het totaal onrealistische maar misschien visionaire slot van het betoog waarin hij in Hagia Sopha de oplossing ziet van alle oecumenische problemen. Krachten in een Verenigd Europa hadden dit gebouw al lang vrij moeten maken voor een “echt oecumenisch concilie”. Maar dat zal volgens auteur niet gebeuren en dan is het te laat “omdat alle betrokkenen hun eigen macht voorop blijven stellen”.
Wat dit alles met de raad van kardinaal Sarah te maken, is mij onduidelijk en hoe de auteur een en ander concreet ziet in Hagia Sophia in het huidige Turkije, is mij nog een groter raardsel. Of is het een filosofische ipsatie?


C. Mennen pr
1 september 2016

Pastoor C. Mennen
e-mail: info@mennenpr.nl
cui resistite
home

liturgie

getijdengebed
preken
voordrachten

vrijmoedig commentaar

ons geloof

documenten