Pastoor C. Mennen
e-mail: info@mennenpr.nl
cui resistite
home

liturgie

getijdengebed
preken
voordrachten

vrijmoedig commentaar

ons geloof

documenten


De laatste tijd hebben wij van de paus, van zijn medewerkers en zijn bondgenoten veel gehoord over de gevaren van het “klerikalisme”. Zij proberen het gesprek af te leiden van de oorzaak van de meeste gevallen van misbruik (de psychologische stoornis van homoseksualiteit) en de schuld te schuiven op structurele en institutionele factoren die inspelen op hun liberale verhaallijn van een Kerk die radicale hervorming behoeft in haar leer over de seksualiteit (bijv. wijding van vrouwen, priestercelibaat, regulering van echtscheiding, normalisatie van homoseksuele relaties).

In een perfecte uitdrukking van deze mentaliteit merkte bisschop Felix Genn van Münster onlangs op: “Ik kan u met nadruk zeggen: ik wil geen preconcilaire klerikale types en ik zal ze niet wijden.” De taal die hier gebruikt wordt, staat in verbinding met een veel voorkomend thema in de preken van paus Franciscus, namelijk dat vóór het Concilie de Kerk verdeeld was in eerste-klas-burgers (de clerus) en tweede-klas-burgers (de leken). Daarbij heerste de eerste groep over de tweede. En bovendien dat het verschijnsel traditionalisme in onze tijd wordt gekenmerkt door dezelfde foutieve ecclesiologie. In dit opzicht toont hij zich een volmaakte zoon van zeventiger jaren, toen het in de mode was aan de uitdrukking “Volk van God” een monopolie toe te kennen in een quasi-marxistische, democratische, geseculariseerde zin.

Ik dacht daar pas geleden aan, toen ik zag hoe parochianen in mijn plaatselijke parochie – een oratorium van het Instituut van Christus Koning, Soevereine Hogepriester – zich gedragen tegenover de priester als hij door middenpad binnentrekt voor de Heilige Mis. De gelovigen maken allereerst een kruisteken als het kruis voorbijkomt, en dan buigen zij naar de priester – niet omdat hij deze of die bepaalde man is, die gezag over anderen heeft maar omdat hij Christus representeert, de Hogepriester die het enige heilbrengende offer opdraagt dat ons allen met Hem en met elkaar verenigt. Het feit dat de priester bekleed is met een koormantel en later met een kazuifel, en dat hij bij het altaar naar het Oosten gericht staat, laat heel duidelijk zien dat hij actief en gezagvol in de plaats van Christus staat, gekleed in de gewaden van diens priesterschap, waarbij zijn eigen individualiteit verborgen is en zijn ambt verheven. Op deze manier brengen de gelovigen eer aan hun Heer, niet aan zomaar een schepsel.

Hetzelfde kan gezegd worden van andere vrome gewoontes bij katholieken die van de traditie houden zoals het kussen van de handen van een pas gewijde priester als ze zijn eerste zegen ontvangen, of neerknielen voor zijn zegen. Door zo te doen erkennen we in de priester vóór ons een werkdadig teken van de Ene wiens zegen hij mag geven krachtens de volmacht hem verleend in de heilige wijding. Dat is geen klerikalisme, dat is eenvoudigweg katholicisme.

Hoe ziet anderzijds klerikalisme er werkelijk uit? Ik wil graag zes manieren aangeven waardoor het zich in de katholieke Kerk vandaag manifesteert.

1. Als een priester, tegen een bijna 2000 jaar eensgezinde traditie in de apostolische Kerken van Oost en West, tijdens de Mis naar het volk is toegekeerd (versus populum), dan dringt hij zichzelf aan het volk op als de hoofdrolspeler in de liturgie, staande “tegenover” de passieve gemeenschap. Op deze manier wordt de boodschap overgebracht – of de priester dat wil of niet – dat hij het centrum van de aandacht is, de bemiddelaar en zelfs de controleur van de verzamende gemeenschap. Dit is een werkzaam teken van klerikalisme zoals er nooit een is geweest. Als een priester zich daarentegen naar het Oosten richt, is de aandacht meer op de liturgische ritus en op het altaar, het kruis gericht of op de altaar of op de retabels die het heiligdom kunnen beheersen als een herinnering aan het hoogste offer van Calvarië. Alles is gemeenschappelijk, allen kijken in dezelfde richting, en bieden samen één enkel gebed aan. Dit is het tegengestelde van klerikalisme en dat kan een verklaring zijn voor het feit dat zoveel geestelijken, die doordrongen zijn van de “geest van Vaticanum II” zo mordicus tegen het herstel van de oosting zijn.

2. Wanneer een priester zegt: “noem me maar Jimmy”, zich nonchalant gedraagt, een boel moppen en verhaaltjes vertelt vanaf de preekstoel, “niets moet hebben van plechtigheid”, dan bevordert hij in feite een cultus van de individuele persoon, de cultus van Jimmy, in plaats van nederig zijn door God gegeven ambt of rol in de Kerk te aanvaarden als de onpersoonlijke dienaar van de Heer Jezus, een van een miljoen van wie God in de loop van de geschiedenis gebruik maakt. Een zeker respect of eerbied voor de priester is in feite cruciaal niet alleen voor de leken maar ook (misschien met name) voor de priester zelf, omdat zij de ernst moeten begrijpen van hun respectieve taken in de wereld en in de liturgie. Een informele of nonchalante manier van liturgie vieren, die voortkomt uit een gebrek aan levend geloof in de vreeswekkende heiligheid van de heilige mysteries, is een vreselijke plaag van klerikalisme dat talloze leken van week tot week doet huiveren

3. Anderzijds, wanneer de clerus traditioneel klerikale dienstwerken aan leken overdraagt (bijv. buitengewone bedienaren van de heilige communie), dan houden zij de foutieve visie in stand dat het enige waardevolle “werk” dat ertoe doet voor een katholiek bestaat in het bezig zijn op het priesterkoor. Dit is een van de ergste verschijningsvormen van klerikalisme. De eigen rol van de leken is niet om te vervangen als een soort “nep bedienaren” maar de wereld te heiligen buiten het kerkgebouw zoals vele pausen hebben geleerd en Vaticanum II heeft herhaald. De lekengelovigen zijn verantwoordelijk voor doordringen van het gezinsleven, de cultuur, de burgerlijke maatschappij met de stralende waarheden van het geloof – een taak die edel is, onmisbaar en de moeite waard. De eigen rol van de clerus is en is altijd geweest zichzelf wijden aan gebed, de heilige liturgie, de sacramenten en de prediking. Wanneer clerici sociale activisten worden en leken minipriesters, dan is alles in de war en verliezen we de schoonheid van het mystieke lichaam van Christus met zijn verfijnde hiërarchische orde die de rangen van de engelen en heiligen in het hemelse Jeruzalem weerspiegelt.

4. Als priester, bisschoppen en zelfs de paus de legitieme verlangens en noden van de gelovigenof van de hun ondergeschikte clerus negeren of zelfs verachten; als slechts de paus, slechts zijn medewerkers, slechts zijn bondgenoten weten wat het beste is voor iedereen anders, ongeacht hun opleiding, competentie of expertise – dan hebben we te maken met nog een vorm van klerikalisme dat we kunnen samenvatten als: “Mijn weg is de enige weg”. Dit is jammer genoeg iets dat we voortdurend hebben gezien tijdens het pontificaat van Franciscus, die lijkt te denken dat het een deugd is kardinalen, bisschoppen en priesters en honderdduizenden leken te negeren, wanneer zij uitdrukking geven aan hun (heel begrijpelijke) zorg over sommige van zijn leeruitspraken of zijn daden. Wij zien het ook in parochies waar een jonge kapelaan die graag de schoonheid en de traditie weer wil invoeren, de mond wordt gesnoerd en gedwarsboomd wordt door een oudere priester die “het beter weet”. De H. Benedictus was wijs genoeg om te erkennen dat “God vaak aan de jongeren openbaart wat beter is” (Regel c. 3)

5. Wanneer bisschoppen of priesters hun eigen persoonlijke meningen willen opdringen in hun prediking en geschriften in plaats van de gewone en traditionele leer van de Kerk over te dragen, dan hebben we zeker te maken met bijzondere zure vorm van klerikalisme.

6. Wanneer de paus eerzuchtige mensen tot bisschop of tot curie officials benoemt in plaats in plaats van de grote hervormingspausen na te volgen die nauwkeurig kloosters en parochies hebben doorzocht naar nederige, heilige, orthodoxe kandidaten; of wanneer mensen die de taak hebben kandidaten voor het bisschopsambt voor te dragen tekort schieten in hun verantwoordelijke taak, dan tonen zij de kracht van het klerikalisme dat sterker wordt naarmate de eerzuchtigen machtiger worden. Het is als een ziekte die zichzelf voedt. Begonnen bij de St. Gallen “Maffia”, via het McCarrick schandaal tot aan het Viganò-exposé kunnen we zien dat deze vorm van klerikalisme tegenwoordig in de Kerk gedijt. En ironisch genoeg zien we dat het beste in hen die uit het “klerikalisme” een soort onsamenhangende notie maken, een soort afleidingsscherm waar ze achter denken te verstoppen.

Vertaling: C. Mennen pr
Hoe “klerikalisme” er werkelijk uitziet?

Onderstaand stuk van Peter Kwasniewski, een Amerikaanse theoloog en filosoof. Hij is auteur van diverse boeken en hij de traditie in de Kerk, met name in de liturgie bijzonder toegedaan. Hij verzet zich tegen het het verkeerd en ideologisch gebruik van het het scheldwoord "klerikalisme" en toon aan dat zij die het woord gebruiken om anderen af te serveren wellicht de ergste klerikalisten zijn.