Het “vak” van Frank Bosman

Pastoor C. Mennen
e-mail: info@mennenpr.nl
cui resistite
home

liturgie

getijdengebed
preken
voordrachten

vrijmoedig commentaar

ons geloof

documenten



U hebt misschien wel eens van Frank Bosman gehoord. Hij verschijnt af en toe in de krant of op de radio met een commentaar op actuele gebeurtenissen. Is Frank Bosman dan een “deskundige”? Jazeker! Hij is: cultuurtheoloog. En een cultuurtheoloog wordt door de media met gepast ontzag benaderd. Hij is dan ook uniek in zijn soort. Er is er bij mijn weten geen tweede van. Frank heeft trouwens het vak zelf uitgevonden. Hij kijkt vanuit theologisch perspectief met een deskundologisch gezicht naar de hedendaagse cultuur. Hij weet daarbij vrij nauwkeurig wat zijn publiek wil horen. Binnen die parameters van de volksgunst beweegt hij zich. Overigens, dit uitgestrekte vakgebied biedt nog veel toekomst aan werkeloze theologen voor verdere onderverdeling. Wat denkt u van bak- en kooktheoloog. Deze zou zich meteen kunnen gaan wijden aan de theologische implicaties van “Heel Holland bakt”. Of de “agrarische paarvormingstheoloog” die de zo nodige diepere theologische inzichten zou kunnen verschaffen rond het immens populaire “Boer zoekt vrouw”? Deze introductie van Frank Bosman lijkt me voor de lezer reeds een aarzelend beeld te schetsen van de achting die ik voor het vakgebied van Frank Bosman koester. Ik wil daarbij niet onvermeld laten dat hij in 2011 (weliswaar in de nacht) is uitgeroepen tot theoloog van het jaar, hetgeen een bewijs zou kunnen zijn voor de grote hoogte waartoe het theologisch bedrijf in Nederland gestegen is.

Welnu deze Frank Bosman heeft zijn cultuurtheologische blik, op vraag van het Brabants Dagblad, vanmorgen in de krant op mijn persoon gericht onder het kopje “Pastoor Mennen heeft zijn eigen kerk overleefd”. Hij zet daar uiteen dat ik behoor tot de “gelovigen die terugverlangen naar de tijd vóór het Tweede Vaticaanse Concilie, naar een machtige kerk met invloed”. Nou moet ik toch echt constateren dat hij zijn researchwerk als cultuurtheoloog niet goed gedaan heeft. Als hij mijn columns zorgvuldig had gelezen, dan zou hij weten dat het mij niet per se om een grote machtige Kerk gaat, maar om een Kerk die haar taak in de wereld vervult, die geen zouteloze kerk is die met alle winden meewaait. Ik accepteer in feite zelfs “een-kleine-rest-Kerk” als het niet anders kan. Dat is een voortdurend verwijt van mijn tegenstanders die vooral groot willen blijven door iedereen – wat hij ook denkt of doet – erbij willen houden. Het zijn juist mijn tegenstanders die een zo groot mogelijke kerk willen en daarvoor nogal wat water in de soep willen doen.

Mij zouden interreligieuze dialoog en oecumene een doorn in het oog zijn. Ook hier is de research blijkbaar onvoldoende. Een paar jaar geleden heb ik enkele gesprekken gehad met een vertegenwoordiger van de grote moskee in Oss. Ik ben daar ook op bezoek geweest. Ik heb aangeboden dat we wederzijdse informatieavonden zouden houden. Maar dat werd van de kant van de moskee afgehouden. Wat de oecumene betreft, heb ik indertijd in Heeze het interkerkelijk overleg Heeze opgericht en we hielden in de sterke tijden wekelijks oecumenische vesperdiensten. Dat laatste zijn we in Oss ook gestart maar minder frequent: maar één keer tijdens de Advent en de Veertigdagentijd.

Wat betreft woord- en gebedsdiensten. Die houden wij in de mei- en oktobermaand maar niet ter vervanging van een eucharistie als het niet strikt nodig is.

Alleen liturgische experimenten zijn mij inderdaad een doorn in het oog. Immers met het heilige dat we in de liturgie vieren mag je niet experimenteren. Het door Bosman hoog geroemde Concilie verbiedt trouwens uitdrukkelijk ieder experiment (SC 22).

De meest dwaze en volkomen ongefundeerde beschuldiging is dat ik de veranderingen van het Tweede Vaticaanse Concilie niet zou aanvaarden. Ik heb me heel mijn priesterleven ingezet voor een correcte en nauwgezette doorvoering van de besluiten en de officiële hervormingen van (na) Vaticanum II. Ik heb me juist verzet tegen het eigenmachtig optreden van pastoors die hun geloof (niet het geloof van het Concilie) in viering en prediking opdrongen aan de hun toevertrouwde gelovigen, de volksmisleiders van mijn generatie, die de teksten van het Concilie niet kenden en er in het geheel niet in geïnteresseerd waren maar zichzelf predikten en in zang en tekst valse goeroes volgden die zich feitelijk van de Kerk hadden afgekeerd.

Ik conformeer me met de ene heilige katholieke en apostolische Kerk van het credo, van de concilies, van het leergezag. Daar geef ik me met hart en ziel aan. En ik zie met droefheid hoe die Kerk en haar beschavende invloed langzamerhand uit Nederland en West-Europa verdwijnt. Maar haar dagen zijn niet over, zoals Bosman stelt. Al schrompelt ze hier in, elders groeit ze maar ook hier blijven kleine haarden van normaal katholiek geloof bestaan. Jezus heeft dat voorzien toen Hij verzuchtte: “Zal de Mensenzoon bij zijn komst op aarde nog geloof vinden” (Lc. 18, 8). Maar anderzijds is er ook de belofte: “de poorten der hel zullen haar (de Kerk) niet overweldigen” (Mt. 16, 18).

Ik begrijp dat de cultuurtheoloog kiest voor een restje cultuurkatholicisme dat er hier en daar nog bestaat en dat zich (bijna) volkomen (met hier en daar vraagtekens) aansluit bij de morele opvattingen van de moderniteit en dat als het samenkomt voornamelijk zichzelf viert of een god die ze naar hun eigen beeld gelijkenis geschapen hebben. Daar kan hij ook het grootste applaus verwachten.

4 januari 2017