HET INSTRUMENTUM LABORIS
EN DE TRADITIONELE KATHOLIEKE MORAAL
ROND BUITENHUWELIJKSE SITUATIES
Waar gaat het in de komende gezinssynode om en welke krachten zijn er werkzaam? Het Instrumentum Laboris biedt een inkijk en laat zien hoe sommige krachten in het centrum van de Kerk willen afrekenen met de traditione moraal van de Kerk. Hier volgt een bespreking door de bekende historicus Roberto de Mattei.


Roberto de Mattei
12 augustus 2015


Het Instrumentum laboris van 21 juni 2015 biedt alle elementen die ons helpen te begrijpen wat in de komende Synode op het spel staat. De eerste bedenking gaat over de methode. Paragraaf 52 van de Relatio Synodi van 2014 haalde niet (zoals de paragrafen 53 en 55) de gekwalificeerde tweederde meerderheid die volgens de normen van het synodereglement nodig was voor goedkeuring maar werd niettemin ingevoegd in het slotdocument. Het was een duidelijke manier van doordrammen die aansloot bij het plan de deuren te openen voor de hertrouwd gescheidenen, ongeacht de tegenstand van een constante groep synodevaders, en wat meer is, ondanks de leer van de Kerk die daarmee in strijd is. Wij zijn nu dicht bij een delicate rode lijn, die echter niemand, zelfs paus niet, kan oversteken.
In zijn algemene audiëntie van 5 augustus zei paus Franciscus dat “de hertrouwd gescheidenen geenszins geëxcommuniceerd zijn en beslist niet zo mogen worden behandeld: zij zijn altijd deel van de Kerk”.  Wij hebben echter niet de indruk dat gescheiden hertrouwden door iemand als geëxcommuniceerden worden beschouwd. We moeten de uitsluiting van het Sacrament waaraan zij onderworpen zijn, niet verwarren met excommunicatie welke de zwaarste van alle kerkelijke straffen is en iemand uitsluit van de gemeenschap met de Kerk. De hertrouwd gescheidenen blijven leden van de Kerk en zijn gehouden aan haar voorschriften, dat wil zeggen, tot het bijwonen van het Misoffer en volharden in het gebed (Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 1651).

De onontbindbaarheid van het huwelijk echter blijft een Goddelijke wet afgekondigd door Jezus Christus en plechtig bevestigd door de Kerk in de loop van haar geschiedenis. De Kerk verlangt een staat van genade om toegelaten te kunnen worden tot de eucharistie. Die wordt normaal bereikt door het Sacrament van Boete. Echtgenoten die gescheiden en hertrouwd zijn, bevinden zich objectief “in een zware zonde die bekend is” (Wetboek van Canoniek recht c. 915) of “in een objectieve staat van doodzonde, een toestand die, indien publiek bekend, verzwaard wordt door ergernis”,  Voorkeursoptie voor het gezin, 100 vragen en antwoorden betreffende de synode, Edizione Supplica Filiale, Rome 2015, nr. 63). Als de hertrouwd gescheidenen niet de intentie hebben een einde te maken aan de permanente en publieke situatie die tegen Gods bedoelingen ingaat, kunnen zij zelfs het Sacrament van de Boete niet ontvangen dat immers vereist dat men het voornemen heeft niet meer te zondigen. Het beeld van de hertrouwd gescheidenen “staat in tegenstelling met het beeld en de voorstelling van het huwelijk en het gezin dat de Kerk ons voorhoudt”, zegt kardinaal De Paolis terecht. Hoe kun je een cirkel vierkant maken? Voor een globale analyse van het Instrumentum laboris, beveel ik de uitstekende analyse aan van Mathew McCusker op de site :”Voice of the Family”. Ik voor mij wil mij beperken tot enkele beschouwingen over hoe het document de buitenhuwelijkse samenwoning behandelt.

De nieuwe Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2390, zegt dat de uitdrukking “vrije verbintenissen” (of ongehuwd samenwonen) “voorkomt in zeer uiteenlopende situaties: het concubinaat, het afwijzen van het huwelijk als zodanig of het onvermogen zich op lange termijn aan elkaar te binden. Al deze levenswijzen zijn in strijd met de waardigheid van het huwelijk: zij tasten de grondgedachte van het gezin aan; ze verzwakken de zin voor trouw. Zij zijn in strijd met de zedenwet: de huwelijksdaad mag uitsluitend plaats vinden binnen het huwelijk; buiten dit kader is het steeds een zware zonde, die uitsluit van de sacramentele communie”.

Het Instrumentum laboris suggereert in plaats daarvan, dat het idee van ongehuwd samenwonen niet intrinsiek maar slechts “gedeeltelijk” ongeoorloofd is. “In gevallen waarin het besluit van de personen  die samenleven of die burgerlijk gehuwd zijn om een sacramenteel huwelijk te sluiten nog in een virtueel stadium is of in een beginfase of nog niet precies omschreven, in die gevallen moet de Kerk zich niet aan de opdracht onttrekken om een dergelijke ontwikkeling te bemoedigen en te ondersteunen. Tegelijkertijd doet zij iets goeds als zij op een vriendelijke manier waardering toont voor het engagement dat men al is aangegaan en als zij de aanwezigheid van die elementen erkent die eigen zijn aan het goddelijk scheppingsplan.” (nr. 57)

Samengevat, men wil hier het goede uit het kwade halen, of anders gezegd men ziet geen enkel kwaad als “absoluut”. Hier zien we een impliciet door elkaar halen van het ontologische en het morele niveau. Als op  ontologische niveau alleen het goede absoluut is, terwijl het kwade altijd een ontbreken van het goede is, hebben op moreel niveau goed en kwaad een dimensie van absoluutheid die je niet kunt ontkennen. Het document is nog duidelijker in volgende paragrafen. Ongehuwd samenwonen, beweert men, is niet “slecht” of intrinsiek ongeoorloofd, maar “minder goed” dan het huwelijk waarvan ze slechts de  “volheid” missen (nrs. 62-65). In feite:

“… het Sacrament van het Huwelijk is een onontbindbare vereniging in exclusieve trouw tussen een man en een vrouw die geroepen zijn elkaar te aanvaarden en leven te ontvangen. Het christelijk huwelijk is een grote genade voor de mensenfamilie”, maar de Kerk “moet ook meegaan met hen die leven in een burgerlijk huwelijk of die samenleven in een geleidelijke ontdekking van de “zaden van het Woord” die nog verborgen zijn zodat men ze leert waarderen en zo komt tot de volheid van de vereniging in het Sacrament.” (nr. 99) “De keuze voor een burgerlijk huwelijk of in sommige gevallen voor een zomaar “samenwonen” is vaak niet het gevolg van een vooroordeel tegen of een afkeer van de sacramentele vereniging maar ligt eerder aan culturele en toevallige situaties. In veel omstandigheden is de beslissing om samen te leven een teken van een relatie waarin men wil worden opgebouwd en geopend naar de hoop op persoonlijke vervulling” (nr. 102).

Dat buitenhuwelijkse samenwoningsverbanden niet meer als ongeoorloofd worden beschouwd, wordt aangetoond door het feit dat zij in het Instrumentum laboris op geen enkele manier worden veroordeeld. “De houding van de gelovigen tegenover mensen, die nog niet gekomen zijn tot een begrip van het belang van het Sacrament van het Huwelijk,  moet allereerst bestaan in een persoonlijke, vriendelijke relatie die de ander aanvaardt zoals hij/zij is, zonder te oordelen en die aan zijn/haar basisbehoeften wil voldoen en die tegelijk getuigt van Gods liefde en barmhartigheid”(nr. 61).

“De christelijke boodschap moet bij voorkeur verkondigd worden op een wijze die de hoop een kans geeft. Er dient een duidelijke, uitnodigende en open communicatie plaats te vinden, die niet moraliseert, oordeelt of controleert, maar getuigt van de morele leer van de Kerk, terwijl men tezelfder tijd gevoelig blijft voor de omstandigheden van ieder individu” (nr. 78); “op een manier die open is naar dialoog en vrij van vooroordeel, met name in de gevallen dat katholieken ter zake van huwelijk of gezinsleven niet leven of niet in staat zijn te leven in volle overeenstemming met de leer van de Kerk”  (nr. 81).

Wat in de tekst afwezig is, nog afgezien van een of andere veroordeling, is enige vorm van oordeel of morele evaluatie. Wij weten echter dat er geen neutrale of onbeoordeelbare menselijke daden bestaat. Iedere daad kan en moet beoordeeld worden volgens de meetlat van waarheid en gerechtigheid zoals Paulus ons leert (Rom. 1, 25-32; 1 Kor. 5, 9-29; 1 Tim. 1, 9).

De sociologische en niet-beoordelende benadering van het Instrumentum laboris wordt bevestigd door de term “onomkeerbaarheid”, die twee keer staat in de Italiaanse versie met betrekking tot de situatie van de hertrouwd gescheidenen. In werkelijkheid kan het mislukken van het huwelijksverbond onomkeerbaar zijn, maar de staat van voortdurende zonde, die het ongehuwd samenwonen van man en vrouw is, is nooit onomkeerbaar. Toch lezen we in dit document:

“Alvorens gescheiden en burgerlijke hertrouwde personen in het pastorale leven te integreren is het volgens sommigen nodig dat: pastores precies onderzoeken of het onmogelijk is dat zij hun situatie ongedaan maken en hoe het geloofsleven van het paar in de nieuwe situatie is; [….} en dit werk moet gedaan worden volgens de wet van de geleidelijkheid (vgl. FC, 34) met respect voor groeien in rijpheid van de gewetens” (nr. 121).  “Wat betreft hiervoor besproken onderwerp zijn velen het erover eens dat een periode van verzoening of boete, onder toezicht van de plaatselijke bisschop, in acht genomen kan worden door hen die gescheiden en burgerlijk hertrouwd zijn en die zich in een onomkeerbare situatie bevinden” (nr. 123).

Als de situatie van de hertrouwd gescheidenen in sommige gevallen onomkeerbaar is, dan betekent dat dat de morele situatie waarin zij zich bevinden, in publieke, permanente doodzonde, onomkeerbaar is.  Dat ia alleen niet zo als een dergelijke situatie niet als zondig maar als deugdzaam wordt beschouwd.  Het Instrumentum laboris lijkt met zijn gedachten in deze richting te gaan. Het onontbindbare huwelijk wordt voorgesteld als een christelijk ideaal, dat zeer verheven is maar alleen met de grootste moeite kan worden gerealiseerd. In het concrete leven kunnen burgerlijke verbindingen onvolkomen maar positieve fases zijn in het samenleven waarin de beleving van de seksualiteit niet kan worden uitgesloten. De seksuele band wordt niet als intrinsiek ongeoorloofd beschouwd maar als een daad van liefde, toelaatbaar volgens de omstandigheden. Een seksuele relatie verliest zijn negatieve morele karakter, als de partners die beleven op een overtuigde, stabiele en blijvende wijze…

Het Instrumentum laboris ontkent niet de exhortatie Familaris Consortio van Johannes Paulus II (22 november 1981) evenmin als het de encycliek Veritatis Splendor van dezelfde paus (6 augustus 1993) ontkent. Maar het lijkt dit boek te willen sluiten.

Sinds de jaren 60 van de vorige eeuw zijn nieuwe moraaltheorieën in de Kerk verspreid van  de hand van auteurs als de jezuïet Joseph Fuchs en de redemptorist Bernhard Häring. Deze schrijvers ontkenden in naam van het primaat van de persoon over de menselijke natuur, de absoluutheid van morele normen. Ze beschouwde daarbij morele nomen alleen als een behoefte tot zelfverwerkelijking (vgl. bijv. “The Absoluteness of Moral Terms”  van pater Fuchs, in “Gregorianum”52 (1971) blz. 415-457).

Uit dit personalisme, dat de pastorale constitutie Gaudium et Spes ( 7 december 1965) beïnvloed heeft, komen de dwalingen voort van het “proportionalisme”, het “teleologisme” en het “consequentialisme” die uitdrukkelijk veroordeeld zijn in de encycliek Veritatis Splendor (nrs. 74 en 75). Tegen deze theorieën hebben we Ramon Garcia de Haro (The Christian Life, Ares, Milano 1995) en meer recent Livio Melina, José Noriega en Juan José Pwerez Soba (Walking in the Light, the Fundamentals of Christian Morality, Cantagalli, Siena 2008). Zij hebben op meer dan overtuigende wijze in hun geschriften opnieuw de leer bevestigd van de absolute morele normen volgens welke er ongeoorloofde daden bestaan die niet door enige intentie of omstandigheid gerechtvaardigd kunnen worden. De seksuele verbintenis buiten een wettig huwelijk is er een van. “Dit zijn de daden die volgens de morele traditie van de Kerk “intrinsiek kwaad” worden genoemd” (intrincese malum) legt Veritatis Splendor uit: zij zijn altijd en per se slecht, in andere woorden alleen al op grond van hun object, onafhankelijk van bedoelingen van de handelende persoon of de omstandigheden” (nr. 80).

In zijn toespraak tot de Romeinse Curie van 20 december 2010 herhaalde Benedictus XVI dat een daad die in zich slecht is, nooit kan worden toegestaan. De paus vond in pedofiele misdaden die hij afkeurde de ideologische basis van een “perversie van het begrip ethiek. Er werd betoogd – zelfs in het bereik van de katholieke theologie – dat niet zoiets als kwaad in zelf of goed in zichzelf bestaat. Er is alleen een “beter dan” of een “slechter dan”. Niets is goed of slecht in zichzelf. Alles hangt af van de omstandigheden. Moraliteit is vervangen dooreen afweging van gevolgen en houdt als zodanig op te bestaan. De gevolgen van dergelijke theorieën zijn tegenwoordig heel duidelijk. Hiertegenin heeft paus Johannes Paulus II in zijn encycliek Veritatis Splendor van 1992 met profetische kracht gewezen op de grote rationele traditie van de christelijke ethiek, de wezenlijke en permanente grondslagen van de morele daad.”

Met deze woorden zijn de theorieën van minder kwaad en situatiemoraal totaal verworpen. Daarover gaat de discussie. Aan de ene kant hebben we katholieken in eenheid met het leergezag van de Kerk die geloven in het objectieve en absolute karakter van de moraal; aan de andere kant hebben we vernieuwers die de moraal herinterpreteren op een subjectivistische en relativistische manier en deze buigen en plooien naar hun eigen verlangens en belangen. Deze discussie duurt al meer dan vijftig jaar maar nu bereikt dat alles een hoogtepunt.

Pastoor C. Mennen
e-mail: info@mennenpr.nl
cui resistite
home

liturgie

getijdengebed
preken
voordrachten

vrijmoedig commentaar

ons geloof

documenten