Pastoor C. Mennen
e-mail: info@mennenpr.nl
cui resistite
home

liturgie

getijdengebed
preken
voordrachten

vrijmoedig commentaar

ons geloof

documenten


Nu de encycliek 50 wordt, onderneemt de emeritus president van het Pauselijk Instituut H. Johannes Paulus II diverse pogingen de leer ervan af te zwakken.

De leer die vervat ligt in Humanae Vitae behoort tot de morele natuurwet en is daarom “een definitieve waarheid die de Kerk niet kan veranderen. Dat heeft een vorige president van het Pauselijk Instituut H. Johannes Paulus II voor de Wetenschappen betreffende Huwelijk en Gezin gezegd.

In het commentaar in  het Register op 2 juli om de 50ste verjaardag te markeren van de historische encycliek van de zalige Paulus VI op 25 juli zet Mgr. Livio Melina de ware aard van het document uiteen dat vooral gehuwde paren leerde edelmoedig te zijn in hun openheid naar leven en dat opnieuw het verbod van de Kerk op bewuste contraceptie bevestigde. Mgr. Melina benadrukt dat een “ontwikkeling” van de encycliek alleen zou kunnen plaats vinden in “onmisbare samenhang met de Traditie zonder valse toevoegingen” en dat de vermeende ”paradigmawisselingen”, al beweren ze de leer niet te veranderen, “in feite de betekenis van de encycliek vervalsen omdat zij goed noemen wat tevoren slecht was en slecht wat tevoren goed was”.
Bovendien zegt de Italiaanse professor die fundamentele moraaltheologie doceert aan het Instituut Johannes Paulus, dat het “echt bekrompen en zielig” is te suggereren dat de zalige Paulus VI een verlegen iemand was die “uit vrees” akkoord ging met de “traditionalistische” leden van Curie en dat hij met zijn eigen overtuiging aan de kant zou hebben gestaan van hen die streefden naar een verzachting van de kerkelijke leer rond geboorteregeling – een onenigheid die hem “verbitterd heeft”. Het commentaar van Mgr. Melina komt op het moment dat er verschillende aanwiizingen zijn die de suggestie hebben gewekt dat er druk wordt uitgeoefend om de leer van de encycliek bij zijn vijftigste verjaardag wat af te zwakken.

Mgr. Melina, wat is de kern van Humanae Vitae? Is het een richtinggevend ideaal dat overgelaten wordt aan het geweten van ieder afzonderlijk zoals sommigen hebben gesteld of is een bindende morele norm?

De basiskern van de encycliek Humanae Vitae vinden we in de paragrafen 12 en 14. Nr 12 drukt in positieve termen het principe uit van de “onlosmakelijke verbondenheid tussen de éénmakende betekenis en de procreatieve betekenis die beide verbonden zijn met de huwelijksdaad en die God zelf geschapen heeft en die de mens op zijn eigen initiatief niet mag verbreken. Dat is een leer, zegt de encycliek, ‘die dikwijls is toegelicht door het leergezag’. Daarenboven wordt het in negatieve termen uitgedrukt als een daaruit voortvloeiende norm in nr. 14: ’Uitgesloten wordt iedere handeling die hetzij vóór, hetzij tijdens, hetzij na de seksuele gemeenschap er specifiek op gericht is om voortplanting te voorkomen – ofwel als een doel ofwel als middel’. De handeling van contraceptie wordt feitelijk gedefinieerd als ‘intrinsiek slecht’ en “dat het een ernstige dwaling is te denken dat een heel huwelijksleven van anders normale relaties de seksuele gemeenschap kan rechtvaardigen die opzettelijk contraceptief is’.
Deze verklaringen kunnen niet worden uitgelegd als louter richtlijnen voor een ideaal die gelden voor het geheel van het huwelijksleven omdat de leer van Humanae Vitae uitdrukkelijk verwijst naar iedere afzonderlijke huwelijksdaad. De encycliek antwoordt in deze twee punten duidelijk op de vraag die ter discussie stond en wijst de stelling (van het ‘meerderheidsrapport’ van de adviescommissie van Paulus VI) af dat in naam van het zogenaamde “ totaliteitsprincipe” dit niet zou toegepast hoeven te worden op de afzonderlijke handelingen maar alleen op het huwelijksleven als geheel.

Gaat het hier om leerstellig onderricht of slechts over disciplinair en pastoraal onderricht?

Nr. 4 van de encycliek van de zalige Paulus VI bevestigt dat dit antwoord is gefundeerd op de ‘morele leer van het huwelijk’, ‘ gebaseerd op het natuurrecht, verlicht en verrijkt door de goddelijke openbaring’, waarvan de Kerk niet de auteur maar ‘de behoedster en de authentieke uitlegster’ is. Het is daarom een leerstellige uitspraak, gebaseerd op de natuurwet, maar het geniet ook het licht van de openbaring en is op een authentieke manier gegeven.
De waarheden van het geloof en het moreel onderricht kunnen niet van elkaar gescheiden worden. Sinds het Concilie van Trente, dan op Vaticanum I en Vaticanum II geeft de formulering in fide et moribus (in geloof en zeden) het object aan van authentiek onderricht van het leergezag, dat met de bijstand van de Heilige Geest gegeven wordt en dat het voorwerp kan zijn van definitieve leer.

Is het onfeilbare leer in de Kerk of open voor discussie? Is het veranderlijk?

Men moet een plechtige handeling van het leergezag niet verwarren met onfeilbaarheid. Toen de theoloog (Mgr. Ferdinando) Lambruschini de encycliek Humanae Vitae aan de pers presenteerde, zei hij dat het geen plechtige handeling met de aantekening “onfeilbaar” was maar hij beschreef het als een ‘authentieke uitspraak’ van ‘katholieke leer’, met de kwalificatie van ‘onveranderlijkheid’, die daarom vroeg om een ’loyale en volledige, innerlijke en uiterlijk instemming’. We moeten er ook op wijzen dat een leer onfeilbaar kan zijn zelfs al deze niet geleerd is door een plechtige handeling van het leergezag, die een formulering definieert. Trouwens kardinaal Joseph Ratzinger, destijds prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer, zei: ‘Volgens de definitie van Vaticanum I en de leer van Vaticanum II in Lumen Gentium 25, geniet het leergezag van de paus het charisma van de onfeilbaarheid wanneer hij bij definitieve act een leer betreffende geloof en zeden afkondigt. Het totale episcopaat geniet dezelfde onfeilbaarheid als het leert dat een uitspraak als definitief gehouden moet worden, mits het de band van gemeenschap onder elkaar en met de opvolger van Petrus bewaart.  Dit betekent dat het leergezag een leer betreffende geloof en zeden als definitief kan voorhouden ofwel door een definitieve handeling (plechtig oordeel) of door een handeling die niet de vorm van een definitie heeft’ (Inleiding op de Apostolische Brief Ordinatio Sacerdotalis van 28 oktober 1995).
De leer van Humanae Vitae werd geleerd door Paulus VI, Johannes Paulus II en volgende pausen waarbij ze telkens  het constante oordeel van katholieke bisschoppen op dit punt in herinnering roepen dat dit behoorde tot de natuurwet en daarom een definitieve waarheid was, die de Kerk niet kan veranderen. Deze leer van Humanae Vitae werd later aanvaard en is gedurende de laatste 50 jaar aanvaard door het gewone leergezag van de bisschoppen, verspreid over de hele wereld (een teken van deze consensus is de Gezinssynode van 1980 en die van 2014 en 2015). Het is daarom noodzakelijk te concluderen dat deze leer definitief is, en dat rechtvaardigt de duidelijke woorden van de H. Johannes Paulus II: ‘Wat de Kerk leert over geboorteregeling behoort niet tot de onderwerpen die door theologen vrij bediscussieerd kunnen worden. Het tegendeel leren komt neer op het in dwaling brengen van het morele geweten van de echtgenoten (toespraak 5 juni 1987). Deze woorden gelden ook vandaag nog: wie de onveranderlijke waarde van de leer van Humanae Vitae in vraag stellen, misleiden het morele geweten van de echtgenoten.’

Is er een ontwikkeling van de leer van Humanae Vitae mogelijk?

Er kan zeker een ontwikkeling van de leer plaats vinden op voorwaarde dat dit geen ontkenning is van of in tegenspraak met wat het leergezag tevoren geleerd heeft: eodem sensu, eademque substantia (Vaticanum I). De vitale samenhang met de Traditie, zonder valse toevoegingen en zonder verlies van wezenlijke elementen, is een voorwaarde voor een organische ontwikkeling, zoals de zalige John Henry Newman heef geleerd. Anders vervallen we tot het modernisme, dat de leer van binnenuit wil omvormen, zijn formuleringen wil aanpassen aan het bewustzijn wen de religieuze ervaring van de tijd. Het was Paulus VI zelf die in een audiëntie op 19 januari 1972 het herleven van het modernisme veroordeelde dat “onder andere namen nog steeds aanwezig is’, omdat het de uitdrukking is van een reeks dwalingen die “onze opvatting van leven en geschiedenis radicaal kunnen vernietigen”.
Men vooronderstelt nu dat er dat er ‘paradigmawisselingen’ zijn die, hoewel zij zeggen de leer niet te veranderen, in feite de betekenis ervan te gronde richten, omdat zij goed noemen wat voorheen slechts was en slecht wat voorheen goed was. De ruimte voor de ontwikkeling van de leer ligt in een antropologische en theologische verdieping zoals is gebeurd in de ‘ theologie van het lichaam’ van de H. Johannes Paulus II. De grens die gesteld is door de negatieve morele normen, betreffende intrinsiek slechte handelingen, is een controlepunt dat een ontwikkeling van de leer niet uitloopt op de perversie ervan. ‘Hemel en aarde zullen voorbijgaan maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan’, zegt de Heer.

Wat is de relatie tussen norm en geweten? In welke betekenis kunnen we spreken van een primaat van het geweten?

Het beslissende punt van het huidige debat gaat over de relatie tussen de norm, geleerd door Humanae Vitae, en het geweten waaraan men het primaatschap wil toekennen. We moeten eraan herinneren dat paus Franciscus in Amoris Laetitia hoopt op een betere betrokkenheid van het geweten van het volk in de praktijk van de Kerk maar hij bevestigt opnieuw dat het eerst noodzakelijk is ‘de ontwikkeling van een verlicht geweten te  bevorderen, dat gevormd en geleid wordt door de verantwoordelijke en serieuze onderscheiding van iemands pastor’ (nr. 3030). Zeker, het is het oordeel van het geweten dat de concrete waarde van de handeling bepaalt, maar het morele geweten moet gevormd worden in zijn afhankelijkheid van de waarheid rond goed en kwaad.
Het beslissende punt is hier het leergezag van de H. Johannes Paulus II in de encycliek Veritatis Splendor die niet vergeten of terzijde geschoven mag worden. Deze encycliek sluit de autonome of creatieve opvatting van het geweten uit. Het geweten is niet de bron van het beslissing van wat goed of kwaad is, aangezien ‘diep in het geweten ingegrift is een beginsel van gehoorzaamheid aan de objectieve norm’ (nr. 60), de uitdrukking van de waarheid omtrent het goede en geen willekeurig en veranderlijk besluit van een menselijke autoriteit. Daarom “kunnen omstandigheden of bedoelingen nooit een handeling die intrinsiek slecht is krachtens zijn object omvormen tot een daad die ‘subjectief’  goed of verdedigbaar is als een keuze.’ (Nr. 81)

Als we kijken naar de discussie in tijd van de Gezinsynode, welke voordelen heeft die gebracht met betrekking tot  Humane Vitae?

Als we dan de ontwikkeling van de synodale discussie bezien, moeten we constateren dat een onduidelijke interpretatie van de rol van het geweten bij de toepassing van de norm van HV 14, zoals die stond in het Instrumentum Laboris (137) in voorbereiding op de Synodevergadering van 2015, niet alleen op grote tegenstand stuitte (beroep van 200 moraaltheologen), maar inderdaad in het slotdocument terzijde werd geschoven door de synodevaders en dit geeft aan, afgezien van de mediamanupulatie, wat hun echte mening was.
Er zijn er die zeggen dat het echte gevoelen van Paulus VI veel toegevender zou zijn geweest dan de leer van Humanae Vitae en de interpretatie ervan, later bevestigd door de Kerk. Paulus VI was geen weervaantje. De BBC-journalist die de publicatie van de encycliek op 25 juli 1968 aankondigde, bekende dat hij de paus bewonderde, juist omdat hij de moed had tegen het tij in te gaan tegenover een enorme mediadruk (en niet alleen druk van die kant). Daarom lijkt het echt bekrompen en kleinzielig te pogen om de zalige Paulus VI op te voeren als verlegen persoon die uit angst gezwicht zou zijn voor de beslissende kwestie van Humanae Vitae onder de druk van de traditionalisten in de curie, terwijl zijn mening anders zou zijn geweest. En dat alles met de absurde pretentie jezelf nu te beschouwen als de echte tolk van het diepe gevoelen van de paus, en dat hij in de jaren van debat toen hij bitter werd bestreden, aan de kant zou hebben gestaan van het publieke protest dat hem zo verbitterd heeft.

Hoe beoordeelt u de vrije interpretaties die de normatieve waarde ondermijnen van de encycliek van de zalige Paulus VI?

Even instrumenteel is de “spiritualistische” interpretatie van een encycliek, die bedoeld is om een ideaal en principes te belichten zonder te komen tot normatieve en praktische  conclusie (‘het probleem van Humanae Vitae – zegt men – kan niet worden gereduceerd tot: pil ja, pil nee!’). Die praktische conclusie moet dan worden toevertrouwd aan het primaat van de subjectieve gewetens.
In werkelijkheid is Humanae Vitae het tegenovergesteld van dit spiritualistische gnosticisme of dit “moreel doketisme” (R. Brown): het is een encycliek die spreekt over het vlees en de concreetheid ervan in de intimiteit van het huwelijk, omdat ze heel goed weet dat juist daar de beslissing valt over de waarheid van de liefde,  de authenticiteit van de relaties en, tenslotte ook over het algemeen welzijn van de samenleving wordt.

Vertaling: C. Mennen pr

Mgr. Melina: het toepassen van een “Paradigmawisseling” op “Humanae Vitae” zou de bedoeling ervan vervalsen.

 
artikel van Edward Pentin in "National Catholic Register"
op 20 juli 2018