Pastoor C. Mennen
e-mail: info@mennenpr.nl
cui resistite
home

liturgie

getijdengebed
preken
voordrachten

vrijmoedig commentaar

ons geloof

documenten


Toen ik ongeveer zestien jaar was bracht ik na een onverschillige katholieke opvoeding om onverklaarbare reden een bezoek aan de plaatselijke priester. Ik wist niet precies waarom ik hem wilde zien. Het was op het toppunt van de Aidscrisis en ik was bang, omdat ik recent voor mijzelf uit de kast gekomen was. Ik was een zielige, eenzame jongen met geen mannelijke vrienden of rolmodellen. Ik had het katholieke geloof verlaten maar ik wilde praten met een man – welke man ook – en ik wist niet waar ik anders heen moest gaan. Zenuwachtig op zoek naar een paar simpele woorden, zat ik daar in de biechtkamer en vertelde de priester: “Ik ben homo”.  Hij verzekerde mij dat God begrip had. God had “mij op die manier gemaakt”. Zijn poging tot medeleven en begrip deed me denken aan mijn middle- en highschool “godsdienst”lessen die altijd de nadruk hadden gelegd op het primaat van het geweten. Volgens de priester moest  ik zorgen voor “safe seks”. Dit was de eigen rol van het geweten: dat moest mij helpen “verantwoordelijk” te handelen.

Minder dan twee jaar later kwam ik terecht in het Castro District van San Francisco. Een tijdlang deed ik het veilig; later niet meer. Na enkele jaren, op het moment dat mijn leven niet zo lekker liep, sprak ik met een andere priester. Hij gaf mij dezelfde raad als de eerste priester, maar hij voegde eraan toe dat ik mij met één partner moest settelen. Dat probeerde ik ook. Maar ik geloof niet dat ik een belangrijke verandering van levenswijze doorvoerde op basis van wat deze priesters mij gezegd hadden. In grote lijnen was ik al tot een besluit gekomen: ik geloofde dat ik als home geboren was. Of een of andere God mij zo al dan niet gemaakt had, kon mij niet echt schelen. In zeker zin hadden deze priesters mijn leven gemakkelijker gemaakt door te bevestigen wat ik al dacht. Echter met mijn zestiende, toen ik met die eerste priester praatte, had ik stiekem gewild dat hij iets anders had gezegd. Ik had gewild dat hij sterk was geweest – ik had gewild dat hij mij van mijzelf gered had.

Vandaag spreekt de beroemde priester James Marin sj op de Wereld Ontmoetingsdag voor Gezinnen in Dublin. Het onderwerp van zijn voordracht is: “Welkom en respect tonen in onze parochies voor de ‘LGBT’ mensen en hun gezinnen”.  In zijn boek “Een brug bouwen: hoe de katholieke kerk en de LHBT-gemeenschap kunnen bouwen aan een relatie van respect, begrip en fijngevoeligheid” prijst Martin de Catechismus omdat deze zegt dat homoseksuelen met “respect, begrip en fijngevoeligheid” behandeld moeten worden en dat “ieder teken van onjuiste discriminatie” moet worden vermeden. Oppervlakkig gezien lijkt de boodschap van James Martin begripvol en fijngevoelig. In feite is ze tegenstrijdig en verwarrend. Al prijst hij de oproep van de Catechismus voor fijngevoeligheid, veroordeelt Martin hem ook als “nodeloos kwetsend” richting homoseksuelen omdat hij homoseksualiteit beschrijft als intrinsiek ongeordend. Martin heeft voorgesteld dat de Catechismus in plaats daarvan de zin opneemt “anders geordend”.

Maar als deze zin in de Catechismus had gestaan toen ik na jaren in zonde leven terugkeerde in de katholieke Kerk, zou ik alleen maar ten dode zijn teruggekeerd. Na meer dan tien jaar als seksueel actief homoseksueel te hebben geleefd zocht ik als een gebroken en vernederd man Christus. Mijn gezondheid was achteruit gegaan. Ik had gezien hoe mijn vrienden aan Aids gestorven waren en ik dacht dat ik de volgende was. Maar zelfs dan was ik bang het achter me te laten. Waar kon ik heen? Gelukkig wist dat ik naar huis kon. Al had iedere priester die ik tegenkwam aangenomen dat ik met mijn zonde moest doorgaan, mijn ouders hebben dat nooit gedaan. Zij gaven mij een plaats om te genezen.

Een tijdlang worstelde ik met de catechismus en met God. Ik begon me te realiseren dat homoseksuele activiteit verkeerd is. Ik zag ineens de verwoestende aard van de  homoseks in mijn gebroken lichaam. Maar ik kon niet aanvaarden dat gedurende al die jaren die ik in ver land had doorgebracht mijn ellende voor niets was geweest – dat ontelbare homomannen voor niets gestorven waren, dat we allemaal bezweken waren voor een leugen. Toch was dat het geval. In mijn tijd hoorden sommigen de leugen via de popcultuur, op de tonen van “Y.M.C.A.” die mannelijke kameraadschap beloofde aan hen die moedig genoeg waren Madonna te volgen en “Expres Yourself”. De oppervlakkig zorgzame en meevoelende priesters die ik in mijn jeugd ontmoet had, hadden in feite niets gedaan om mij te helpen. In plaats van mij de waarheid te vertellen – dat homoseksualiteit intrinsiek ongeordend is – klopten ze mij op de rug en stuurden me op mijn eigen weg. In plaats van mij op te roepen celibatair te leven en mij te bemoedigen om kuis te leven, lieten ze me achter zoals ze me gevonden hadden: in de war. De woorden van deze priesters, gesproken tegen een jonge man met een heel klein geloof, zorgden ervoor dat deze man jarenlang in doodzonde leefde, zonder berouw en gescheiden van God.

Als een dergelijke priesterlijke raad het leven van een jonge man al zoveel schade kan toebrengen, stel u de schade voor die de woorden van pater Martin zullen aanrichten bij talloze jonge mensen die in alle oprechtheid deelnemen aan de Wereld Ontmoetingsdag voor de Gezinnen. Als de Kerk echt respect, begrip en fijngevoeligheid aan homoseksuelen wil tonen, moet ze hen de woorden van Christus laten horen, niet de valse troost van pater Martin.

Vertaling: C. Mennen pr
De valse troost van pater Martin

 
Hieronder een getuigenis van Joseph Sciambra zoals dat gepubliceerd werd op de Amerikaanse site First Things