DE PARABEL VAN DE GROOTINQUISITEUR



16 oktober 2017
door Wolfram Schrems, Mag. Theol., Mag. filos. Wenen, ondertekenaar Correctio filialis

De foto van paus Franciscus die op 2 oktober met zorgvuldig geselecteerde, en dus bevoorrechte, “misdeelden en migranten” in de hoofdkerk van Bologna zat te eten, werd door de massamedia ruim verspreid. De paus stuurt als gastheer van een banket dat in een kerk wordt aangericht (halal zoals men ergens kon lezen) een duidelijke boodschap uit. Deze boodschap zal men tegen de achtergrond van de uiterst nonchalante behandeling van de eucharistie kunnen zien als de voorrang geven aan het aardse brood boven het hemelse. Tegelijkertijd doet de paus nog iets anders dat in dezelfde richting wijst: hij bevrijdt de mensen op bepaalde wijze van hun zonden. Hij zegt tegen hen: God staat de gelovigen het begaan van zonden toe, kan het zelfs vragen (Amoris Laetitia, 303). Dit begaan van zonden is volgens de paus weliswaar geen “ideaal” maar toch het best mogelijke. Zo bestaat er eigenlijk geen zonde meer, niets meer wat in zich slecht is en altijd vermeden moet worden.  De combinatie van beide boodschappen, namelijk de voorrang van het brood op het geloof en de afschaffing van de zonde, herinnert aan de profetische boodschap uit de 19de eeuw. De titel hiervan is erg bekend maar de inhoud jammer genoeg minder. Het gaat om de Parabel van de Grootinquisiteur van Dostojewski in de roman De gebroeders Karamazov.

De afvalligen onder de kerkelijke ambtsdragers en de bekoorder

De kerngedachte van de – tamelijk vreemde en moeilijk te interpreteren – parabel is: de grootinquisiteur zegt tegen Christus die in de 15de eeuw naar Sevilla is teruggekeerd dat de mens te zwak is voor diens boodschap. Volgens hem hebben zij niet de geestelijke kracht om uit zuivere liefde voor Christus te kiezen. Christus wilde de gelovigen “trots” en “sterk” maken maar slechts zeer weinigen bereiken dat. Daarom heeft de grootinquisiteur met zijn bondgenoten de voorstellen aanvaard van de “vreselijke en verstandige geest, de geest van de zelfvernietiging en het niet-zijn, die door Jezus in de woestijn afgewezen was: “Want in deze drie vragen (de bekoringen van Christus) is als het ware de hele verdere geschiedenis van het menselijk geslacht samengevat en voorspeld.”  De grootinquisiteur legt nu uit dat men de mensen brood en spelen moet geven om hen aan je te binden. Tot dit doel moet men van hen afnemen wat zij bezitten, en een herverdeling doorvoeren. Maar vooral moet men de mensen het verlof geven te zondigen want zij zijn te zwak om de zonde te vermijden en het verlof zal op zijn beurt het vertrouwen sterken in de machthebbers, die dit verlof geven. Men moet de mensen de vrijheid ontnemen om hen de “vrijheid” tot zonde te geven. Want de echte vrijheid is een te grote last. Die vraagt immers een keuze voor het goede. De mensen moeten echter allereerst verzadigd zijn: “Weet u wel dat na verloop van eeuwen de mensheid door de mond van wijzen en geleerden zal verkondigen: er is helemaal geen misdaad meer en bijgevolg geen zonde maar er zijn alleen nog hongerige mensen? Geef ze voldoende te eten en dan pas verlang ik deugd van hen! Dat zullen ze op het banier schrijven dat ze tegen U zullen verheffen”. Bert Brecht zou het in de 20ste eeuw zo formuleren: “eerst komt het vreten, dan de moraal” (Die Dreigroschenoper).

Als men naar de leer van paus kijkt en naar zijn manier van doen: is dat dan niet precies het programma geworden? Uit “barmhartigheid” en “mensvriendelijkheid” van de paus die de “starren” aanvalt. Tenslotte is er ook de behoefte van alle mensen aan vrede en eenheid. Wat de torenbouw van Babel nog niet klaar gekregen heeft, willen de grootinquisiteur en zijn bondgenoten voltooien: “[Want] de behoefte aan een eenwording die de hele wereld omspant, is de derde en laatste nood van de mensen. Steeds heeft de mensheid in haar geheel ernaar gestreefd zich in alle omstandigheden universeel te ontwikkelen”. Paus Franciscus heeft zoals bekend sterke interesse in de internationale macht, in de protagonisten van een “nieuwe wereldorde” en hij heeft een grote afkeer van patriottische politici.
Op het eind stuurt de groot inquisiteur Christus weg en zegt tegen Hem dat hij maar nooit meer terug moet komen en niet meer moet komen storen. Tot zover de parabel. Omdat het Iwan Dostojewski is die zijn jongere broer Aljoscha de parabel verteld, is het niet helemaal duidelijk waar Dostojewski zelf staat. Want Iwan is heel duidelijk niet de hoofdpersoon van de roman noch een morele autoriteit. De parabel is ook verward en geeft het geloof van de Kerk verkeerd weer. Hoe het ook zij: Dostojweskj zag iets wat hem ongerust maakte. Hij heeft de mechanismes van de totale staat vooruit gezien; van de staat die zich aan geen enkele waarheid geboden voelt en die een hermetisch van de waarheid afgesloten dictatuur, eventueel in religieus gewaad, wil vestigen. Ongeveer 70 jaar vóór Orwell profeteerde Dostojewski de totale verzorgingsstaat, die zich loskoppelt van Gods geboden, die de vrijheid afschaft en een nachtmerrie blijkt te zijn. Daarbij worden christelijke begrippen gebruikt, misschien waren er zelfs afgevallen kerkelijke functionarissen bij betrokken.

De totale verzorgingsstaat en ongemerkte onvrijheid

Het communisme realiseerde aanvankelijk wat Dostojewski had voorzien: de onteigening, de herverdeling, het totale gezag van de staat, het (voorlopig) verlof tot zonde in het privé domein (gemakkelijke echtscheiding, tweede huwelijk, abortus).  Ten gevolge van het ontstaan van het cultuurmarxisme in het Westen (“de dwalingen van Rusland”) gaat deze strategie door: hoge belastingen, herverdeling, staatsingrijpen, seksuele revolutie, “de vrije liefde”. Wat daarbij verloren gaat is de innerlijke vrijheid. Maar bijna niemand lijkt het te merken. Ze zitten te diep in het systeem. Af en toe heeft men weliswaar nog last van zijn geweten, maar de staat helpt hen bij hun ”Flucht vor Gott” (naar het profetisch boek van Max Picard, 1934). Op grond van succesvolle subversieve praktijken zijn deze waanideeën ook in de Kerk doorgedrongen. Dat is weliswaar alle enkele decennia geleden maar is door de politiek van de huidige paus nu helemaal in het licht van de openbaarheid gekomen. Het verlangen naar de totale verzorgingsstaat onder gelijktijdige afschaffing of zoveel mogelijk terugdringen van het privé-eigendom is binnen de Kerk bijvoorbeeld al lang aanwezig. In plaats daarvan propageert men in een bepaald deel van het Duitse katholicisme een “onvoorwaardelijk basisinkomen”. Is het niet zo dat in de utopische staat van Orwell een groot deel van de bevolking niet werkt en door het werkende deel van de bevolking wordt onderhouden? Overigens bestaat er nog een basisinkomen zonder arbeid en dat is immoreel, namelijk woeker, het leven van rente. Want dat betekent dat men anderen voor zich laat werken.

Een veroordeling van deze bronnen van inkomsten door de huidige paus heb ik nooit gehoord. Maar wat we wel gehoord hebben: paus Franciscus gaf, zoals hierboven al aangegeven, in Amoris Laetitia 303 een verlof tot zonde. Nu heeft de ketterij van de loochening van intrinsece malum (de in zich slechte daad die men nooit mag stellen) ook het pausdom bereikt. Decennia lang is dat – tegen Humanae vitae (1968) en Veritatis Splendor (1993) in de academische theologie voorbereid waarbij zeker ook de jezuïeten baanbrekend werk hebben verricht. Een jezuïet als paus brengt het nu binnen in een – hoe slecht of goed ook gedefinieerd – leergezag. Hij staat de mensen de zonde toe, minstens in het kleine , in het zogenaamde privé-domein. Hij blijft hier staan bij echtbreuk. Hij staat geen volkenmoord toe, geen bouwen van vernietigingskampen, geen atoomoorlog. Maar Jozef Seifert heeft erop gewezen, dat er, wanneer eenmaal een in zich slechte handeling geoorloofd is, geen reden is om ook niet alle andere toe te staan.

De strijd van paus Franciscus tegen het “pelagianisme” – een kwalijke verdenking.

In deze context krijgt plotseling de herhaalde waarschuwing van de paus voor “pelagianisme” een heel nieuwe betekenis. Men kreeg steeds de indruk dat paus Franciscus te weinig geleerd was om deze uitdrukking op de juiste manier te gebruiken. Tegen de achtergrond van Amoris Laetitia en de andere pauselijke documenten komt een veel erger verdenking op: wilde de paus de gelovigen misschien zeggen dat ze hoe dan ook niet volgens Gods geboden kunnen leven en dat ze het daarom zelfs niet moeten proberen? Met andere woorden: was het zijn bedoeling het vermogen van de gelovigen om te kiezen voor het goede te ondermijnen met een verwijzing naar de dwaalleer van Pelagius (+ rond 418)? Diens leer wordt meestal zo beschreven: volgens hem kan de mens zonder Gods genade het eeuwige leven bereiken. Dat is niet juist. Maar daarom is het tegendeel ervan nog niet juist. Dat beweert dat mens niet tot zijn heil kan of moet bijdragen. Juist de stichter van de orde van de paus, de heilige Ignatius, spoort in zijn Geestelijke Oefeningen aan om niet zomaar doch behoedzaam de vragen van genade en predestinatie aan de orde te stellen. Want het beroep op de genade kan de eigen inspanning verlammen en het fatalisme in de kaart spelen. En wie zich niet meer inspant, gaat achteruit. Dan begint de verveling en het verlies van zelfrespect. Een gezond christelijk zelfbewustzijn is echter voor de vormgeving van je leven van groot belang. Dat biedt ook gemakkelijker weerstand aan de druk van de wereld en de totale staat. Wat de socialistisch gerichte verzorgingsstaat betreft, daarover heeft Franciscus – zoals zo dikwijls – niet concreets naar voren gebracht. Maar zijn verbondenheid met communistische leiders en ideologen toont een sterke neiging in die richting.

Samenvatting

Zus of zo: Dostojewski had het over een afval van de Roomse Kerk, die – in haar menselijk element – ondertussen ongetwijfeld is begonnen: een paus stelt zich op als een wereldse verlosser,  inclusief brood, spelen en de bevrijding van een slecht geweten. Het eten in de kerk van San Petronio geeft dat haarscherp weer. Wat zijn bedoelingen zijn en wat zijn gewetenstoestand is, kunnen we niet zeggen. De correctio filialis doet daar dan ook geen enkele uitspraak over.

Maar hoe dan ook: de analogie met de grootinquisiteur is beklemmend. Dat die 100 jaar na Fatima zo duidelijk wordt, is betekenisvol. Hoogstwaarschijnlijk gaat hier dat deel van het derde geheim in vervulling waarover we vanwege de doofpotstrategie van het Vaticaan in de laatste decennia nog steeds alleen maar kunnen speculeren.

Vertaling uit het Duits: C. Mennen pr



Pastoor C. Mennen
e-mail: info@mennenpr.nl
cui resistite
home

liturgie

getijdengebed
preken
voordrachten

vrijmoedig commentaar

ons geloof

documenten