Pastoor C. Mennen
e-mail: info@mennenpr.nl
cui resistite
home

liturgie

getijdengebed
preken
voordrachten

vrijmoedig commentaar

ons geloof

documenten


Commentaar: De enige brug die het waard is te bouwen voor mensen die in de war zijn over hun seksuele identiteit heeft Christus als architect.

Sinds mijn boek Why I don’t call myself gay: How I reclaimed my sexual reality and found peace verleden jaar uitkwam, heeft men mij dikwijls gevraagd mijn gedachten uiteen te zetten over hoe de jezuïetenpater James Martin de pastorale zorg  benadert voor mannen en vrouwen die, zoals ik, hebben wat de Catechismus zou noemen “homoseksuele neigingen”.

Sommige mensen hebben ten onrechte aangenomen dat ik mijn boek geschreven heb als een antwoord op Een brug bouwen van pater Martin. Maar het feit dat onze boeken beide in 2017 uitkwamen, is puur toeval en ik heb bewust vermeden te schrijven over onze verschillende benadering. Ik wilde liever dat onze twee boeken op hun merites beoordeeld zouden worden.
Recente opmerkingen echter die pater Martin gemaakt heeft op de Wereld Ontmoetingsdag voor de Gezinnen in de zomer, en met betrekking tot de actuele jeugdsynode die in Rome plaats vindt, hebben mij gestoord. Daarom heb ik gedacht dat het verstandig was de bezwaren die ik heb rond de methode van pater Martin, naar voren te brengen. Ik prijs een heleboel uit pater Martins werk: ik twijfel niet aan zijn liefde en medeleven met mensen zoals ik. Maar uit bezorgdheid voor hoe de jeugdsynode beïnvloed zou kunnen worden door pater Martin op een manier waarvan ik denk dat ze niet in overeenstemming is met de leer van de Kerk, wil ik mijn gedachten hier concentreren op gebieden waarvan ik geloof dat het boek en de bediening van pater Martin een hele slechte dienst bewijst aan mannen en vrouwen met een getrokkenheid naar hetzelfde geslacht.

Respect, begrip en fijngevoeligheid

Pater Martin is erg selectief in hoe hij de Catechismus citeert. Het scharnier waarop zijn boek en zijn bediening draait is de leer van de Catechismus dat de mensen met een homoseksuele neiging met respect, begrip en fijngevoeligheid behandeld moeten worden. Zijn persoonlijke benadering van deze drie pijlers wordt het model voor zijn pastorale suggesties betreffende de dienstverlening aan hen die hij beschrijft als leden van de “LGBT-gemeenschap”.
Voor pater Martin is het gebruik van de uitdrukking “LGBT-gemeenschap” een noodzakelijk onderdeel van hoe je mensen met getrokkenheid naar hetzelfde geslacht respectvol behandelt. In zijn voordracht op de Wereldgezinsdag gebruikte hij de term “LGBT” bijna 100 keer en zijn meest recente beschouwingen over de jeugdsynode zei hij: “De LGBT mensen noemen zoals ze genoemd willen worden, is een onderdeel van het ‘respect’ waartoe de Catechismus van de Katholieke Kerk oproept. Zijn argument lijkt het volgende te zijn: om iemand met respect te behandelen moet men de woorden gebruiken die hij kiest om voor zichzelf te gebruiken. Hij ondersteunt dit argument in zijn boek door het belang te benadrukken van namen in de Bijbel – met name op momenten waarop God iemand een nieuwe naam geeft zoals dat het geval was met Abraham en Sara of St.-Paulus.

Maar hier “zet hij de dingen op zijn kop”, om de profeet Jesaja aan te halen, en hij onderschrijft dat de klei de pottenbakker zegt hoe hij gemaakt is. Als God iemand (of iets) in de Bijbel een naam geeft, dan heeft de mens geen macht of autoriteit die naam te veranderen. Het Woord heeft de volgende woorden gesproken bij de schepping van de wereld: God “schiep hen man en vrouw” – zoals het herhaald werd door Christus zelf, toen Hij onder ons wandelde als man, geboren uit een vrouw, toen Hij zei: “Hebt gij niet gelezen dat hij die hen vanaf het begin maakte, hen gemaakt heeft als man en vrouw?” Christus, als de nieuwe Adam, en Maria, als de nieuwe Eva openbaren aan onze verwarde wereld dat de enige seksuele identiteiten die door God geschapen zijn, man en vrouw zijn, op elkaar geordend. Jammer genoeg nodigt pater Martin de mensen die zich identificeren als “LGBT” niet uit hun echte seksuele natuur en identiteit te aanvaarden, overeenkomstig de leer van de Catechismus in paragraaf 2333 waarin staat: “Iedereen, man en vrouw, moeten zijn seksuele identiteit erkennen en accepteren.”
Verder lijkt hij ernstig aanstoot te nemen aan de mensen in de Kerk die spreken over “mannen en vrouwen met een getrokkenheid naar personen van hetzelfde geslacht.

Onze identiteit is ofwel mannelijk of vrouwelijk, en onze seksuele verlangens zijn op de juiste manier geordend op personen van het andere geslacht. Onze geneigdheid tot hetzelfde geslacht is niet onze identiteit maar zijn gevoelens en emoties, die wij ervaren. Om de brief van 1986 van de Congregatie voor de Geloofsleer te citeren, met de titel “De pastorale zorg voor homoseksuele personen”:  de Kerk weigert reductionistische etiketten op te plakken zoals “LGBT”: “Tegenwoordig verschaft de Kerk de broodnodige context voor de zorg voor de menselijke persoon als zij weigert de persoon te zien als een “heteroseksueel” of een “homoseksueel” en zij benadrukt dat iedere menselijke persoon een fundamentele identiteit heeft: schepsel van God, en door de genade zijn kind en erfgenaam van het eeuwig leven”.
Dat betekent dat wij ook niet moeten spreken over mensen als “hetero”. Er is in de antropologie van de Kerk geen plaats voor de “LGBT”-persoon of de “hetero”-persoon, want deze personen bestaan niet in de scheppende wijsheid van God.

In tegenstelling tot pater Martin dring ik er bij de synodevaders op aan geen zinsnede te gebruiken als “LGBT-persoon”, juist omdat het niet respectvol genoeg is, niet begripvol en fijngevoelig genoeg. Zij zouden in plaats daarvan moeten spreken van mannen en vrouwen die getrokkenheid naar hetzelfde geslacht ervaren. Dit taalgebruik toont respect voor onze geschapen waardigheid als geliefde zonen en dochters van God.

De zorg van pater Martin voor begripvolle, respectvolle en fijngevoelige taal is dus gericht tegen het gebruik door de Catechismus van de zin “objectief ongeordend” waarmee de homoseksuele neiging wordt beschreven. Pater Martin stelt dat dit “nodeloos kwetsend is. Als je zegt dat een van de diepste delen van een persoon – het deel dat liefde geeft en ontvangt – ‘ongeordend’ is, is in zichzelf nodeloos wreed.” In plaats van “objectief ongeordend”, suggereert hij de uitdrukking “anders geordend”.
We zien hier twee problemen. Allereerst stelt hij de homoseksuele neiging in iemand met getrokkenheid tot hetzelfde geslacht, gelijk met “het deel dat liefde geeft en ontvangt”. Dit is natuurlijk niet de visie van de Kerk op menselijke liefde en genegenheid.

Seksuele intimiteit is niet het diepste deel van de menselijke persoon en het is niet de primaire weg waarlangs de mens liefde geeft en ontvangt. We hoeven alleen maar te kijken naar het voorbeeld van onze Lieve Heer en onze Lieve Vrouw om dit te weten evenals naar het onderricht van Jezus dat er in de hemel geen huwelijk zal zijn.

Ten tweede: het voorgesteld gebruik van de term “anders geordend” is een duidelijk geval van spitsvondigheid want met deze vernuftige verandering van taal wordt heel de seksuele moraal van de Kerk onderuit gehaald. Een aanwijzing hoe pater Martin de Kerk ertoe wil brengen de homoseksualiteit opnieuw te bekijken is de vergelijking die hij dikwijls heeft gemaakt tussen homoseksualiteit en iemand die linkshandig geboren is in de plaats van rechtshandig. Dit lokt natuurlijk een vergelijking uit met vroegere culturen die linkshandigen beschouwden als teken van iets boosaardigs en duisters, hoewel natuurlijk de moderne mens nu erkent dat rechts- linkshandig zijn alleen maar een verschillende (en uiteraard natuurlijke) manier is om in de wereld te leven. Als aangetrokken zijn tot hetzelfde geslacht analoog is aan linkshandig geboren worden, dan zijn de verboden van de Kerk tegen gelijkgeslachtelijke activiteiten op dezelfde wijze achterlijk en vooringenomen. Pater Martin zegt dit nergens uitdrukkelijk, maar zijn redenering die leidt naar de logische conclusie, zou betekenen dat een verbod op homoseksueel gedrag niet langer redelijk is en daarom niet langer moreel verplichtend. En aangezien de kerkelijke leer rond seksueel gedrag nooit willekeurig is, maar veeleer geworteld is in de natuurwet, dan is, als mensen “als homo” geboren zijn en als zij in de wereld leven als homo qua homo, dat hun natuur. Hun natuur volgen zou dan moreel geoorloofd zijn.
Dit brengt ons bij andere verontrustende stelling van pater Martin en die is direct in strijd met de leer van de Kerk: dat homoseksualiteit een “psychologische ontstaansgeschiedenis” heeft. Tegen de leer van de Kerk in – en tegen de meest recente wetenschappelijke conclusies in – gelooft pater Martin dat mensen geboren worden met een getrokkenheid naar het zelfde geslacht.

De kwestie van de wetenschap

Op de Wereldontmoetingsdag voor de Gezinnen spoorde pater Martin zijn luisteraars aan “feiten te leren kennen, geen mythen over seksuele gerichtheid en gender identiteit, feiten vanuit wetenschappelijke en sociaalwetenschappelijk bronnen, en niet vanuit wat men zegt en vanuit verkeerd geïnformeerde en homofobe websites”. Pater Martin heeft bij diverse gelegenheden gezegd dat de wetenschap aantoont dat de mensen die hij “LGBT” noemt “op die manier geboren” zijn. Bijvoorbeeld in een reeks tweets, eerder dit jaar, heeft hij gezegd dat “God allerlei soorten mensen schept met verschillende eigenschappen” en hij beweerde dat “de psychiatrie, de psychologie en de biologie” de conclusie ondersteunden dat “sommige mensen eenvoudigweg ‘zo zijn gemaakt’….. net als hetero mensen ‘zo zijn gemaakt’.” Hier echter moet pater Martin luisteren naar zijn eigen raad om “feiten te leren kennen, geen mythen over seksuele gerichtheid en gender identiteit maar feiten vanuit wetenschappelijke bronnen.”
Kijk bijv. maar een wat psychologieprofessor Lisa Diamond van Universiteit van Utah heeft gezegd over de wetenschappelijke bevindingen of “homo zijn” een onveranderlijk deel is van de menselijke natuur waarmee mensen geboren worden. Diamond die zichzelf een lesbienne noemt, schreef in het Journal of Sex Research in 2016 dat “argumenten die gebaseerd zijn op de onveranderlijkheid van de seksuele oriëntatie, onwetenschappelijk zijn, uitgaande van wat wij nu weten van longitudinale bevolkingsonderzoeken over veranderingen die over langere tijd op natuurlijke wijze plaatsvinden in de getrokkenheid naar hetzelfde geslacht bij sommige individuen.” Ieder eerlijk onderzoek naar de wetenschap laat zien dat pater Martin ongelijk heeft: de wetenschap is niet tot de conclusie gekomen dat iemand “als homo geboren” wordt. Maar zelfs als de wetenschap in de toekomst zal beweren dat mannen zoals ik “als homo geboren” zijn, dan stelt de brief van de Congregatie voor de Geloofsleer uit 1986 over “De Pastorale zorg voor homoseksuele personen” dat het “katholieke morele standpunt gebaseerd is op de menselijke rede, verlicht door het geloof en welbewust is gemotiveerd door het verlangen de wil te doen van God onze Vader. De Kerk is dus in een positie dat ze kan leren van een wetenschappelijke ontdekking en dat ze ook de horizon van de wetenschap kan overstijgen en erop kan vertrouwen dat haar meer alomvattende visie meer recht doet aan de rijke werkelijkheid van de menselijke persoon in zijn geestelijke en lichamelijk dimensies, die immers door God geschapen is en door genade erfgenaam van het eeuwig leven.”

Natuurlijk is deze “rijke werkelijkheid” gerealiseerd door Gods verdeling van de mensheid in man en vrouw, complementair aan elkaar. Deze dualiteit is de bron van de antropologie van de Kerk en dus ook van haar seksuele moraal – maar jammer genoeg schijnt pater Martin nauwelijks enige poging te doen om uit te leggen waarom de leer van de Kerk over homoseksualiteit geen recht doet aan de waardigheid van de menselijke persoon door een beroep te doen op de antropologie van de Kerk. Toen critici pater Martin hebben gevraagd om uit te leggen waarom hij deze uitleg niet geeft, heeft hij op twee manieren geantwoord: allereerst zegt hij dat hij geen moraaltheoloog is. Maar iedere priester die biecht hoort moet toch weten welke de seksuele zonden zijn waarover men spijt moet hebben en hij moet in staat zijn uit te leggen waarom de leer van de Kerk rond de seksuele moraal een onderdeel is van de Blijde Boodschap. Ten tweede: beweert hij dat de leer van de Kerk rond homoseksualiteit niet “aanvaard” is door wat hij noemt de “LGBT gemeenschap”, en daarom is het zinloos – of misschien niet het resultaat van een respectvolle, fijngevoelige en begripvolle dialoog – de moraliteit van homoseksueel gedrag te bespreken.
Maar ook hier geeft de brief van de Congregatie voor de Geloofsleer uit 1987 een helder antwoord op de warrige visie van pater Martin op pastoraal begrip: “Wij willen duidelijk stellen dat een afwijken van de kerkelijke leer of die leer verzwijgen, in een poging pastorale zorg te verlenen noch zorg noch pastoraal is. Alleen wat waar is kan uiteindelijk pastoraal zijn. Het voorbijgaan aan het standpunt van de Kerk zorgt ervoor dat homoseksuele mannen en vrouwen niet de zorg krijgen die zij nodig hebben en verdienen.”
Op dat punt schiet pater Martin jammerlijk te kort.

Pastorale aanbevelingen

Hoewel dit alles verontrustend is, bestaat er een nog serieuzer probleem rond de diensten die pater Martin aanbeveelt als voorbeelden die de katholieke Kerk zou moeten volgen. Allereerst de New Ways Ministry. Zijn boek was het gevolg van het feit dat hij Bridge Building Award ( vert. de Bruggenbouwersonderscheiding) ontving van de New Way Ministry, een organisatie gesticht door zuster Jeannine Gramick en pater Rober Nugent. Wat zuster Jeannine en pater Nugent leren, werd door de Congregatie voor de Geloofsleer “onjuist en gevaarlijk” genoemd. Beiden ontvingen “het permanente verbod om pastoraal werk onder homoseksuele personen te doen”, en in 2010 verklaarde de Amerikaanse Bisschoppenconferentie dat “New Ways Ministry” geen goedkeuring of erkenning had van de katholieke Kerk en dat zij niet konden spreken in naam van de katholieke gelovigen in de Verenigde Staten.” Niettemin heeft pater Martin merkwaardigerwijs opgemerkt dat als hij de wens kon uitspreken dat iemand die nu leeft eens heilig verklaard zou worden, hij hoopt dat dit zuster Jeannine zal zijn.
Ten tweede is dikwijls een dienst aanbevolen door pater Martin die Out at St. Paul genoemd wordt. Die groep heeft haar basis in de moederkerk van de paters Paulisten in New York. Leden van Out at St. Paul werden voorgesteld in de documentaire Owning our faith en ze zijn ongegeneerd hoopvol dat de kerkelijke leer rond homoseksualiteit zal veranderen. Twee personen die er in voorkomen zijn bijv. burgerlijk gehuwd en bezig een kind te adopteren en ze bepleiten nadrukkelijk dat de Kerk gelijkgeslachtelijke “huwelijken” zal toestaan (een persoonlijke opmerking: slechts één priester heeft mij ooit gezegd dat seks hebben met een man geen zonde was. Hij was een Paulist, die tijdelijk in mijn diocees van Grand Rapids, Michigan, benoemd was. Merkwaardig genoeg spoorde hij mij in de biechtstoel aan een vriend te vinden, met, zo zei hij, “de zegen van de Kerk”. )
Ten derde: pater Martin heeft ook een groep aanbevolen in zijn eigen parochie in New York, de parochie van de H. Ignatius van Loyola. Die groep heet “LGBT Castholics and Friends”. Hij beveel een publicatie aan die zij hebben uitgegeven: Our stories: Being LGBT and Catholic  (onze verhalen: LGBT zijn én katholiek). Een van de verhalen laat een man zien, die Lou heet en die zijn relatie met een man bespreekt, die hij zijn echtgenoot noemt, Mike. De moeder van een man die zichzelf homo noemt, zegt dat haar “liefste wens zou zijn dat hij in de St.-Patrickskathedraal zou kunnen trouwen”.  Een vader van een andere jonge man, die zichzelf homo noemt, zegt dat hij uitkijkt naar de ontmoeting met zijn toekomstige schoonzoon en zegt: “Mijn zoon heeft er niet voor gekozen homo te zijn. Mij zoon is als homo geboren. Dit is een deel van zijn wezen.”
Foto’s in de glossy brochure laten een regenboogvlag zien, paren van hetzelfde geslacht die elkaars hand vasthouden en twee “getrouwde” vrouwen met een jongen die waarschijnlijk de zoon van een van haar is.

Al deze diensten verzetten zich tegen de moraal van de Kerk betreffende homoseksualiteit. Als dit de diensten zijn die, naar de mening van pater Martin, voorbeelden zijn om na te volgen, wat zegt dit dan over zijn eigen geloof in de leer van de katholieke Kerk over homoseksualiteit? Wanneer men bij hem aandringt om te zeggen of hij wel of niet de leer van de Kerk bevestigt, zegt hij alleen maar: “Als katholiek priester, heb ik mij nooit tegen deze leer verzet en dat zal ik ook niet doen.” Dit is, lijkt mij, een niet helemaal eerlijk antwoord. Hij heeft zich al tegen de kerkelijke leer verzet door de aanbeveling om de taal van de  Catechismus te veranderen van “objectief ongeordend” naar “anders geordend”; en door te stellen dat “mensen als homo geboren worden”; hij heeft zich tegen de leer van de Kerk verzet door te leren dat homoseksualiteit “een psychologisch ontstaan” heeft. Trouwens hij lijkt het geloof te onderschrijven dat “homo zijn” ontologisch is. Meer nog dan dit alles  echter blijft de open vraag die onbeantwoord blijft: stemt pater James Martin zelf, al zegt hij dat hij zich nooit zal verzetten tegen de kerkelijke leer rond homoseksualiteit, innerlijk in met die leer? En ziet hij die leer als de Blijde Boodschap, met name de oproep van de Catechismus tot kuisheid voor mannen en vrouwen zoals ik?  Uitgaande van de diensten die hij aanbeveelt en die tegemoet komen aan mannen en vrouwen die openlijk de leer van de Kerk over de kuisheid verwerpen, vrees ik dat hij dat niet doet.

Wat moet dan het antwoord zijn op de vreemde visie van pater Martin op respect, begrip en fijngevoeligheid en zijn pogen een brug te bouwen, en met name zijn aanbevelingen aan de synodevaders op de Synode voor de Jeugd? Het antwoord moet zijn: een terugkeer naar de constante leer van de Kerk over de natuur van de mens, die verankerd ligt in Gen. 1, 26-27 en de deugd van de kuisheid die voortkomt uit Gods scheppende wijsheid waardoor hij de mensheid schiep als man en vrouw,

In 1985 gaf de heilige paus Johannes Paulus II een raad die heel goed kan dienen als leidend beginsel voor iedereen die wil delen in de Blijde Boodschap van de Kerk rond homoseksualiteit, en met name ook voor de bisschoppen die aanwezig zijn op de Jeugdsynode:
“Als bisschoppen is ons de taak toevertrouwd de totale kerkelijke leer in heel zijn authenticiteit te verkondigen en te verdedigen. Wij moeten ook waakzaam zijn dat anderen die preken en onderwijzen in naam van de Kerk niet de kans krijgen die leer te verdraaien met als gevolg verwarring en verstoring van de gewetens van de gelovigen. Deze zaak zal voor u vaak een bron van lijden en beproeving zijn. Soms zult u een teken van tegenspraak zijn. Uw liefde in deze zaken, soms voor uw naaste medewerkers, zal een liefde zijn die gekenmerkt wordt door vergeving, geduld, verdraagzaamheid en moed. Uw liefde mag geen vals mededogen worden dat uitloopt op het ondermijnen van de waarheid en een mededogen dat juist de harmonie vernietigd, die het beweert te willen bewaren. De pastorale liefde die u hebt voor uw gemeenschappen, vraagt soms dat u niet de “harde woorden” achterhoudt, die de afstand overbruggen tussen de zondige menselijke natuur en de morele eisen van het leven in de Geest van Christus.”

Dit nu is de enige brug die het waard is om voor mensen te bouwen die in de war zijn rond hun seksuele identiteit, want de architect van die brug is Christus, onze Heer.


Vertaling: C. Mennen pr
Beschouwingen over seksuele identiteit, de Jeugdsynode en het bruggen bouwen van pater Martin

Veel mensen in de Kerk maken zich zorgen over het oprukken van de homo-activisten, ook de Kerk. Niet weinigen zijn bang dat de Synode voor de Jeugd door bepaalde mensen (met name ook de organisatie en door synodevaders die op persoonlijke titel door de paus zijn uitgenodigd) zal worden misbruikt als een hefboom om ook in de katholieke Kerk acceptatie van homoseksualiteit te bevorderen. Dat zal alijd gebeuren onder het mom van pastoraal want dan kunnen er de minste mensen tegen zijn.
Onderstaand commentaar is van Daniel Mattson, die zelf homoseksueel is, maar die de leer van de Kerk volledig onderschrijft en daarom in kuisheid probeert te leven. Hij verzet zich tegen de grote voorvechter van homoseksualiteit in de Kerk, de jezuïet pater James Martin. Mattson toont aan dat de opvattingen van Martin niet katholiek zijn en hij waarschuwt de synodevaders zich niet door Martins drogredenen te laten verblinden.